Mijn Passie? Delen(want 'Gedeelde Vreugd=Dubbele Vreugd & Gedeelde Smart=Halve Smart).Zie mijn Blog-bijdragen dus als mijn middel om wat me interesseert te delen. Als Links, Reposts, en regelmatig in de vorm van Column, Analyse of Commentaar & al dan niet bijtend, ironisch, of roerend statement. Mijn intentie is iedere dag iets van waarde door te geven... Ik krijg ook graag feedback; dus Volgen en Reageren stel ik zeer op prijs!
Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.
Deze week: een normaal winterverschijnsel is verworden tot een bron van zorg.
Lang geleden was de Diemerzeedijk het territorium van kabelbranders en illegale vuilstorters waar zelfs de overheid niet graag naarbinnen drong. Er hingen kwalijke dampen en de morsige werkers die er hun kostje bij elkaar scharrelden straalden geen gastvrijheid uit. In het oosten vloog van tijd tot tijd de Muider kruitfabriek de lucht in.
Inmiddels ademt het gebied een en al frissigheid. Er zijn leuke bruggen en torenflats neergezet en voor de vrijwillige sportbeoefening is een overgeschoten weg vrijgemaakt. Vorige week zondag was het er om half tien al een drukte van belang. Het was koud, op de sloten lag nog wat ijs, maar windstil en laag aan de hemel scheen een prettig zonnetje. Het zal een graad of twee geweest zijn met een luchtvochtigheid van meer dan 90 procent.
De toevallige passant zag er geen mens die geen ademwolk uitblies. Stilstaande en langzaam wandelende personen produceerden ademwolken die boven hun hoofd uitstegen en daar langzaam vervluchtigden, hardlopers en wielrenners trokken een horizontaal dampspoor achter zich aan van wel één of twee meter lang.
In andere jaren had de passant het een normaal winterverschijnsel gevonden, maar deze keer moest-ie bij het doorkruisen van elk nieuw dampspoor aan het coronavirus denken. Als ik nu inadem, dacht hij dan, dan zuig ik de respiratoire uitstoot, de slijm- en speekseldruppeltjes, van de langsrazende sporter in en als die coronalijder is ben ik de pineut. Dan heb ik geen vaccin meer nodig.
Echte sporters hébben geen corona, beweerden bijdehante sporters vorig jaar toen commotie uitbrak rond de slipstream van hardlopers en wielrenners, maar iedereen wist dat dat onzin was. Je kunt besmettelijk zijn vóór je symptomen hebt. De Eindhovense hoogleraar Bert Blocken sloot de combinatie van sportbeoefening en besmettelijkheid niet uit en liet in april in een computersimulatie zien waar virusbeladen respiratoire druppeltjes zouden kúnnen terechtkomen: tot vele meters achter hollende of racende sportlieden. Zijn feitelijke constatering is een eigen leven gaan leiden – er zijn horrorverhalen van gemaakt, zegt Blocken – maar er viel eigenlijk weinig tegenin te brengen, al moet je misschien wel veel en lang deeltjes uit de slipstream opsnuiven om besmet te raken.
Geven de ademwolken bij benadering het gebied aan waar virusbeladen respiratoire druppeltjes zich kunnen ophouden, dat is de vraag die zich opdringt en aardig genoeg valt er wel wat zinnigs over te zeggen.
Ademwolken ontstaan uit vermenging van luchtsoorten (de adem en de buitenlucht) die elk apart onverzadigd kunnen zijn aan waterdamp maar na menging lucht opleverden die oververzadigd is. Het klinkt raadselachtig maar meteorologen kunnen laten zien dat het tamelijk makkelijk gebeurt. Of in de oververzadigde lucht ook zichtbaar waterdamp zal condenseren hangt af van de aanwezigheid van voldoende condensatiekernen in het luchtmengsel. In lucht die van al zijn condensatiekernen is ontdaan kan een hoge oververzadiging worden aangebracht zonder dat mistvorming optreedt. Daarop berust de werking van het Wilsonvat (de ‘cloud chamber’).
Buitenlucht in stedelijke omgeving bevat van nature veel condensatiekernen, maar het is aannemelijk dat de condensatie in de ademwolken toch vooral plaatsvindt op de respiratoire druppeltjes. Dat zegt de Twentse hoogleraar Detlef Lohse en hij licht het toe. Waterdamp verzamelt zich makkelijker op de waterige slijm- en speekseldruppeltjes dan op de condensatiekernen uit de buitenlucht die vaak hydrofoob zijn. Je ziet ook dat in de zeer zuivere lucht van het hooggebergte net zo makkelijk ademwolken ontstaan als hier in Nederland. Tenslotte heeft de onderzoeksgroep van Lohse het aangroeien van de respiratoire druppeltjes onlangs in een simulatie aangetoond. Het moet er wel koud en vochtig genoeg voor zijn.
Men hoopt binnenkort te publiceren in Physical Review Fluids.
Kortom: een deel van de mistdruppeltjes uit de ademwolk kan zeker een virushoudende kern hebben. Blocken en Lohse beklemtonen dat de feitelijk besmettelijke luchtmassa aanzienlijk groter kan zijn dan de zichtbare ademwolk en dat de grootste druppeltjes die worden uitgehijgd of uitgehoest al direct uit de wolk (als steentjes in een ‘ballistische baan’) naar beneden vallen. Maar in ruwe lijn geven de ademwolken wel ongeveer aan waar het centrum van het gevaarlijke gebied ligt. Bij lage temperatuur ligt het kielzog aan druppeltjes achter hardlopers en wielrenners wat hoger dan vorig jaar uit de simulatie van Blocken naar voren kwam (die gold voor 25 graden) en dat kan wat gevaarlijker zijn. Dat de ademwolk van stilstaande mensen opstijgt tot boven hun hoofd en daar veilig uitwaaiert en vervluchtigt is te danken aan de warmte van de menglucht en aan het gegeven dat vochtige lucht lichter is dan droge (bij dezelfde temperatuur en druk).
Een winterse omgevingstemperatuur kan de besmettingskans dus zowel vergroten als verkleinen. Verontrustend is dat de levensduur van respiratoire druppeltjes veel hoger is dan tot nu werd aangenomen. Dat blijkt uit een simulatie waarover de groep van Lohse juist afgelopen week publiceerde als ‘coverarticle’ in Physical Review Letters. De uitgestoten druppeltjes verdampen veel minder snel dan werd aangenomen omdat ze gedeeltelijk opgesloten blijven binnen vochtige lucht en elkaar ook door onderlinge interactie deels tegen verdamping beschermen. De druppeltjes kunnen daardoor ook op grote afstand van de bron gevaarlijk blijven.
*
*
Ik lees graag, en als het ff kan veel; kranten, tijdschriften, boeken, internet. Maar dit stukje is geïnspireerd op een artikel in de NRC-Wetenschap-bijlage van 22 januari j.l. Door mijn oogproblemen en andere gezondheidsbeperkingen komt het er lang niet altijd van om de dikke zaterdagkrant zelfs maar in erop volgende week te verstouwen, maar deze keer toevallig deze bijlage wel.
Ik ben van jongs af aan een groot liefhebber van echte winters, liefst met sneeuw en heel veel en lang schaatsijs. Dat komt omdat mijn vader ooit een 11Steden-rijder was (in 1942), en hij mij schaatsen leerde in de beroemde winter van 1963, ik was toen 4 jaar. Vanaf dat moment zit schaatsen op natuurijs diep in mij, en omdat je daar nu eenmaal stevige vrieskou voor nodig hebt ben ik meestal erg gespitst op voortekenen dat het weleens zou kunnen gaan vriezen en op alle informatie die daar wat mee te maken heeft. Wellicht was het dus mijn intuïtie die me deze bijlage zo snel deed oppakken...
Vanaf mijn tiende was het een droom van me om zelf ook eens de 11Stedentocht te rijden. Ik moest er lang op wachten, want na 1963 duurde het tot 1985 voor 'de Tocht' weer werd verreden, en zelfs die ging door een samenloop van omstandigheden aan mij voorbij. Maar ik had mazzel; ook in 1986 waas er weer een Tocht, en in 1987 lag er zelfs nog meer ijs, alleen was het toen op een flink deel van het 11Steden-traject onmogelijk om te schaatsen doordat er veel zand op het ijs lag; geen Tocht dus, en geen kans voor mij om een tweede Kruisje te scoren. In 1997 was de vooralsnog laatste keer dat er een officiële 11Steden werd verreden. Sindsdien waren we er enkele malen dichtbij, maar 'hij' kwam er niet.
Waarom deze opsomming? Omdat er een patroon zit in strenge winters - al dan niet met 11Stedentocht - 1963 - 1985 - 1986 - 1987 -1997 - - 2021? Het is geen precieze wiskundige reeks, maar koude winters komen nogal eens in een cyclus van een jaar of 11, plus of min enkele jaren en niet zelden meerdere achter elkaar. Schijnt met de activiteit van de zon te maken te hebben... Ook dat voedde mijn intuïtie...
En toen kwam NRC dus met het onderstaande verhaal. Kort samengevat: er bestaat een weerkundig verschijnsel dat nogal eens kouinvallen in ons deel van de wereld veroorzaakt, in januari deed zich dat voor, en er was een kans van 2-op-3 dat we er eentje zouden krijgen. Het duurde nog best lang, maar afgelopen weekend was het dus zover. En de krant kwam met een verhaal over het hoe en waarom; blij dat er kranten zijn die dit soort informatie goed uitgediept brengen, jammer dat er tegenwoordig zo weinig mensen nog kranten lezen..!
NRC stipte ook al de mogelijke 11Steden-koorts aan, en ja hoor: de sneeuw moest nog komen, er lag nog geen millimeter ijs, en er was alweer een verhit 11Steden-debat, nog eens extra pikant doordat de 11Steden-vereniging al voor het begin van de winter had gesteld dat bij de staat van corona die wij meemaken het organiseren van een Tocht onmogelijk zou zijn...
Maar dat hield niets en niemand tegen het er toch over te hebben...
Begrijp me niet verkeerd: ik zou er graag een zien komen - zelfs onder dit corona-regime, misschien wel juist dan; het volk kan wel wat afleiding van de ellende gebruiken, en ik ben het met Erben Wennemars en anderen eens dat je in zo'n uitzonderlijke situatie moet kijken wat er wel mogelijk is - alleen...ik schatte het als volkomen onmogelijk in dat er bij een inval van de winter die pas na een week in februari komt, nog voldoende 11Steden-ijs zou kunnen groeien - hoe fel de kou ook zou zijn - de zon is gewoon al te sterk en de nacht te kort...
Het was dus welkome afleiding van corona-misère, maar tegelijk onzin en zelfs een mooi voorbeeld van typisch Hollandse/Nederlandse Massahysterie en Sensatiezoekerij.
Maar goed; er kan geschaatst worden de komende dagen; geniet ervan zolang het kan!
En lees hieronder, of op NRC.nl de Originele Post, over hoe het opeens zo koud kon worden.
(AD)
*
Meteorologie Soms wordt het ’s winters ineens heel koud, na extreme veranderingen in de stratosfeer. Gebeurt dat nu ook?
Leestijd 4 minuten
Kou in de Siberische stad Omsk deze winter. De middagtemperatuur deze week in Omsk was circa -20°C. Foto Alexey Malgavko/Reuters
Zou het misschien toch? Nog schaatsen op een plas ergens de komende weken? Of – hoop, hoop – misschien zelfs weer een Elfstedentocht, na 23 jaar? Sinds begin deze maand hoor je voorzichtig gefluister dat het wel eens erg koud zou kunnen worden. In Siberië is het al gaande.
Aanleiding voor de hoop is een beruchte, spectaculaire verstoring in de stratosfeer, de luchtlaag op tien tot vijftig kilometer hoogte. Begin januari trad daar in korte tijd een sterke opwarming op, een zogeheten sudden stratospheric warming (SSW). De gevolgen daarvan zijn aan het aardoppervlak te voelen, en zorgt in sommige gebieden juist voor sterke afkoeling.
Maar wat is zo’n SSW precies? Hoe leidt een verstoring op zo’n hoogte tot extreme kou aan de grond? En in hoeverre valt zo’n gebeurtenis, en zijn effecten, te voorspellen? Een overzichtsartikel dat afgelopen november in het tijdschrift Review of Geophysics is gepubliceerd, geeft veel antwoorden. Een stuk in 5 vragen.
1 Wat is een sudden stratospheric warming?
„Een van de meest dramatische stratosferische fenomenen”, zo noemt het overzichtsartikel het. Een SSW is een ernstige verstoring van de normale situatie. Normaal is dat het Noordpoolgebied in de winter in duisternis vervalt. Door het ontbreken van zonlicht, koelt het gebied sterk af. Vanuit het zuiden wordt er wel warme lucht aangevoerd. Dat zorgt voor een groot temperatuurverschil. In reactie komt de lucht sterk in beweging (in andere seizoenen is die wind er ook, maar veel minder sterk). De lucht beweegt van hoge naar lage druk, in dit geval zuidwaarts. In combinatie met de draaiing van de aarde, wekt dat een sterke westenwind op, de poolwervel geheten – in het Engels de polar vortex. Tot zover de normale situatie.
Maar soms raakt de poolwervel ernstig verstoord. De wind valt stil, keert om, en verandert in een zwakke oostenwind. De stratosfeer, of een deel ervan, warmt daarbij snel op, 20, 30 soms wel 50°C. In januari 2019 bijvoorbeeld ging het binnen enkele dagen van -70°C naar -30°C.
De verstoring in de stratosfeer houdt twee tot drie weken aan. „De polaire vortex probeert zich te herstellen”, zegt Michiel van Weele, die zich bij het KNMI bijzonder voor SSW’s interesseert. Wat vaak wordt gezien, zegt hij, is dat de vortex door de verstoring een tijd instabieler is, en zich in tweeën splitst. Of hij verplaatst zich.
Op het zuidelijk halfrond ontstaat de poolwervel ook – in juni, als het daar winter is. Maar plotselinge opwarmingen doen er zich nauwelijks voor. Blijkbaar laat de wervel zich hier minder makkelijk verstoren. „Op dit halfrond is tot nog toe maar één SSW geweest, in 2002”, zegt Mark Baldwin, eerste auteur van het overzichtsartikel en hoogleraar klimaatwetenschap aan de universiteit van Exeter. „En misschien eentje in 2019. Maar dat hangt af van de definitie die je gebruikt. Er zijn er meer in omloop.”
2 Hoe vaak komen ze voor?
Tussen 1958 en 2019 zijn er 40 SSW’s geobserveerd. Gemiddeld doen er zich dus elke drie jaar twee voor. De ontdekking van de SSW’s is volgens het overzichtsartikel toe te schrijven aan de Duitse meteoroloog Richard Scherhag van de Freie Universität Berlin. Vanaf de voormalige luchthaven Tempelhof startte hij in 1951 met metingen aan de stratosfeer, tot een hoogte van 30 km. Hij gebruikte neopreen ballonnen. Ze waren uitgerust met een nieuw type Amerikaanse radiosonde, waar hij met hulp van geallieerden uit de VS aan was gekomen. Eind januari 1952 rapporteerde Scherhag een ‘explosive-type warming’. Hij gaf het de naam: ‘het Berlijn-fenomeen’. Een paar dagen daarna zag hij het in de stratosfeer weer snel afkoelen. Maar ongeveer een maand later volgde een tweede, nog sterkere opwarming. „Ze kunnen dus in golven komen”, zegt Van Weele.
3 Wat veroorzaakt zo’n verstoring?
Dat is niet bekend. Het overzichtsartikel noemt allerlei mogelijkheden. Windpatronen in de tropen, de zonnecyclus, de sneeuwbedekking in Eurazië in de maand oktober, de El Niño-cyclus waarbij zeetemperaturen in de Grote Oceaan veranderen. Of is het een combinatie van factoren? „We weten het gewoonweg niet”, zegt klimaatwetenschapper Baldwin.
Van Weele noemt nog een andere optie. Onderzoek met klimaatmodellen suggereert een verband met het oppervlak aan zee-ijs in het najaar in het Arctisch gebied. Dat neemt door de opwarming van de aarde gestaag af. „En dat zou dan misschien de frequentie van de SSW’s kunnen beïnvloeden”, zegt hij. „Maar dat is niet meer dan een hypothese.”
4 Wat zijn de gevolgen?
Een SSW heeft effecten naar boven en naar beneden toe. In hoger gelegen luchtlagen leidt het volgens het overzichtsartikel tot „dramatische veranderingen” in de dynamiek en de chemie. Vanuit de mesosfeer (tussen de 50 en 85 kilometer hoogte) versterkt het bijvoorbeeld het neerwaartse transport van bepaalde verbindingen, zoals stikstofoxiden en koolstofmonoxide. Dat werkt weer door in de stratosfeer en versterkt onder meer de ozonlaag. „De concentratie ozon blijft hoger”, zegt Van Weele. Dit is vooral voor het zuidelijk halfrond gunstig, waar zich elk jaar in de late winter (augustus-september) een ozongat vormt.
Kou in de Siberische stad Omsk.
Foto Evgeniy Sofiychuk/AP
In de stratosfeer ontstaat door de plotselinge opwarming een hogedrukgebied, dat naar beneden doorwerkt. Op zo’n tien kilometer hoogte beïnvloedt het de straalstroom. Dat is, net als de poolwervel, een sterke westenwind. Maar onder invloed van de druk kan die meer gaan golven. Dat beïnvloedt uiteindelijk het weer, dat ontstaat in de troposfeer, de onderste laag van de dampkring. „Het golven van de straalstroom zorgt ervoor dat aan de grond tongen van koude lucht zuidwaarts uitstulpen”, zegt Van Weele. Eind januari 2019 kampten grote delen van Canada en de VS met extreem koud weer. Er was toen sprake van een gesplitste poolwervel.
De gevolgen reiken verder. In Groenland en het oosten van Canada wordt het juist vaak warmer. In Zuid-Europa kan de neerslag toenemen. In de vorm van regen of sneeuw. Maar volgens Van Weele is er „geen direct verband” te leggen met de hevige sneeuwval in Spanje eerder deze maand. Verder koelen de tropen af, wat mogelijk tot droogte leidt.
5 Kun je ze voorspellen?
Met de huidige weermodellen is een SSW tot twee weken vantevoren „redelijk goed te voorspellen”, zegt Baldwin. Maar veel lastiger is dat voor de gevolgen aan de grond. Over de link tussen de stratosfeer en de troposfeer is nog veel onbekend. Of het aan de grond extreem koud wordt, en waar dan wel en waar niet, valt daardoor moeilijk te voorspellen.
Juist die onbekende link boeit Baldwin buitengewoon. In de stratosfeer duurt een SSW twee tot drie weken, maar aan de grond houden de gevolgen soms meer dan twee maanden aan. „Dat is tien keer zoveel als wat de theorie voorspelt.” Hij vindt die zogeheten ‘oppervlakteversterking’ „erg fascinerend”. „Maar begrijpen doen we ’m nog niet goed.”
Een garantie op winterweer is er niet
Michiel van Weele KNMI
Ook Van Weele durft niet te zeggen of Nederland nog extra kou te wachten staat. Een stratosferische verstoring verhoogt wel de kans op „wind uit de koude hoek”, schreef hij, samen met collega Lars van Galen, vorige week in een klimaatbericht. Maar een garantie op winterweer in Nederland is er niet. Van Weele sluit volgende stratosferische verstoringen niet uit.
Ook kunnen er nog meer koudegolven komen. Wat hij noemt: „een tweede, en eventueel een derde golf”. Hij haalt de winter van 1985 in herinnering. Pas na de tweede en de derde koudegolf volgde op 21 februari alsnog een Elfstedentocht. „Schaatsliefhebbers hoeven de hoop nog niet helemaal op te geven, maar een koude winter gaat het niet meer worden.”
Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 23 januari 2021
*
De laatste keer dat een Nederlandse vrouwenploeg actief was op het EK basketbal was in 1989, maar als het een beetje meezit kan zaterdag aan die lange periode van absentie zomaar een einde komen.
Winst in en tegen Slowakije in het EK-kwalificatieduel is daarvoor genoeg.
"Dat was lang voordat ik werd geboren", merkt Laura Cornelius op over dat laatste EK met Oranje-inbreng. "Het is tijd dat we daar verandering in gaan brengen." De 24-jarige guard kijkt vol verwachting uit naar het treffen met de Slowaakse ploeg.
In de thuiswedstrijd van november verspeelde Oranje een voorsprong van dertien punten tegen de Slowaaksen en verloor het uiteindelijk met 84-64. Daarmee liet de Nederlandse ploeg een uitgelezen mogelijkheid liggen om al een hele grote stap richting het eindtoernooi te zetten.
Omdat er een paar dagen na die domper wel gewonnen werd van Hongarije, heeft Nederland plaatsing echter nog altijd in eigen hand. Dat brengt flink wat druk met zich mee, een gegeven waar bondscoach Hakim Salem voorzichtig mee omgaat.
"We moeten het samen oplossen. Daarom verspreiden we de druk over het hele team. We willen ons eigen spel spelen en veertig minuten keihard knokken. Dan weten we dat we een hele grote kans hebben om naar het EK te gaan." WhatsApp
Bang voor weer een grote deceptie is Salem niet. "In de eerste wedstrijd tegen Slowakije hebben we in de tweede helft niet hard gewerkt. Dan ga je gewoon af. Dat hebben we goed geëvalueerd, we hebben er goed over gesproken. Het gaat er nu om dat we tijdens de wedstrijd steeds teruggrijpen naar onze afspraken en aan onze doelen blijven denken."
Ook Cornelius gaat zaterdag vol goede moed de wedstrijd in. "Het is winnen of doodgaan; dat is een beetje ons motto. In november hebben we twintig minuten goed gespeeld en twintig minuten heel erg onze kop laten hangen. Daar ligt nu onze focus op. De tegenslag zal weer komen, maar het gaat erom hoe je daarop gaat reageren."
"Het wordt knokken, strijden. Het hoeft ook allemaal niet mooi. Het liefst wel natuurlijk, maar het gaat erom dat we zo efficiënt mogelijk die overwinning binnenhalen. Blauwe plekken of schrammen maken dan niks uit. Dan gaan we naar het EK."



* *
Door Erik Braal
GROU - Den Helder Suns is de nieuwe competitie geweldig begonnen. Vier gespeeld, vier gewonnen. Maar deze vier overwinningen zijn in de pocket. Thuis werd zowel tegen Heroes Den Bosch als Zeeuw & Zeeuw Feyenoord Rotterdam gewonnen. Dat zijn directe concurrenten voor een plaats bij de bovenste zes en daarmee duidelijke statements! In oktober werd ook al van Leiden in eigen hal gewonnen. Er is daar dus iets aan de hand. Erik Braal heeft voor deze site een analyse gemaakt van de Suns.
Algemeen
Het schema van de eerste ronde met 11 wedstrijden is niet voor elk team even zwaar. Den Helder profiteert aan het begin van de competitie een beetje van het schema van deze eerste ronde. Twee zwaardere tegenstanders thuis en twee lager ingeschatte tegenstanders uit, is wat betreft ‘strength of schedule’ een voordeel. In die zin heeft bijvoorbeeld Aris Leeuwarden het lastiger (drie uitwedstrijden waarvan twee tegen de Top-5). Met een volledig schema (uit en thuis tegen elke tegenstander) zou dat niet veel uitmaken. Maar in dit schema is een goede start belangrijk. Maar los van het aantal gewonnen wedstrijden zijn er een aantal andere opvallende zaken.
Aanval
Als eerste valt op dat Den Helder, na Zorg en Zekerheid Leiden, de beste aanvallende ‘rating’ heeft. Met een aanvallende efficiëntie van..............
........."
Bij Dit is de dag op Radio 1 vertelde Scholten dat hij die ochtend van Lodewijk Asschers aftreden, afgelopen donderdag, al wakker was geworden met het geluid van allemaal appjes die tingelend op zijn telefoon waren binnengekomen. ‘Ik kreeg meteen al zo’n gevoel van: “O nee, toch?” Nou ja dus.’ De week ervoor had de pvda-leider hem nog verzekerd dat hij niet zou opstappen, ‘want dan klopt jouw boektitel niet meer’.
Asscher had zichzelf in de jaren als fractievoorzitter van de pvda als doel gesteld de partij weer relevant te maken, en leuk. Na de jaren onder Diederik Samsom, die als coalitiepartner met de vvd meeveerde, wilde Asscher meer strijd leveren, met het kabinet, met Rutte, met Wilders. In die rol als volksvertegenwoordiger groeide hij snel, hij werd geprezen om zijn debatteerstijl. Scholten vertelde dat hij regelmatig met Asscher mee ging toen die een tourtje maakte met zijn boek Opstaan in het Lloyd Hotel, waarbij Asscher steevast aan de mensen in de zaal vroeg: wie van u maakt nooit een fout? Dan ging er geen hand omhoog. ‘Zie je wel’, zei Asscher dan. ‘Ik heb ook fouten gemaakt, net als u. We zijn maar mensen.’
Dat was uiteindelijk niet heel sterk, vond Scholten, want als een politicus fouten maakt heeft dat consequenties voor heel veel mensen. Je kunt niet blijven zeggen: ‘Die fouten zijn mijn erfenis, maar daar distantieer ik me van.’
De toeslagenaffaire liet zich niet distantiëren. Aanvankelijk leek Asscher op de dag van zijn getuigenis voor de commissie die de toeslagenaffaire behandelde gered uit onverwachte hoek; door de spectaculaire zelfdestructie van Thierry Baudet, die uitgerekend op de dag van Asschers getuigenis de zuilen van zijn eigen Forum omver trok en daarmee alle media-aandacht opslurpte. Maar binnen de pvda groeide stilletjes de onrust, leden maakten duidelijk dat ze geen vertrouwen meer in hun lijsttrekker hadden. In de peilingen kelderde de partij.
Als je net een boek over Mark Rutte hebt gemaakt zat je deze dagen toch net iets rustiger op je stoel, goddank. De vvd is de pvda niet. Als in opspraak geraakte vvd’ers een probleem waren geweest, dan was dat wel eerder duidelijk geworden. Sterker nog: als opstappende vvd’ers grote uitzonderingen waren, dan had de site isereenvvderopgestapt.nl vast niet bestaan.
Tot het kabinet vorige week opstapte, was het 301 dagen geleden dat voor het laatst een vvd’er het veld moest ruimen, iets wat vooral aan de luwte van corona zal liggen. Daarvoor waren het:
— 19 maart 2020: minister van Medische Zorg Bruno Bruins opgestapt;
— 6 oktober 2019: Haagse burgemeester Pauline Krikke opgestapt vanwege het uit de hand gelopen vreugdevuur in Scheveningen;
— 5 oktober: vvd-raadslid Nynke Koopmans stapt uit vvd vanwege het stikstofbeleid;
— 24 september 2019: vvd zet omstreden Van Haga uit Kamerfractie;
— 29 augustus 2019: Arno Rutte verlaat Kamer;
— 21 augustus 2019: Rotterdamse wethouder Westvoorne vertrekt na fricties met fractie;
— 1 augustus 2019: regionale vvd’er Huib van Vliet (Flevoland) uit partij gezet na diefstal;
— 3 juli 2019: Zaanse ‘drankwethouder’ stapt op vanwege onrust in partij.
De lijst gaat heel veel verder. Sinds 2013 komt de partij elk jaar als ‘winnaar’ uit de bus van de ‘Politieke Integriteitsindex’ die de Volkskrant publiceert, waarbij de kwesties waarover vvd’ers struikelen variëren van minister Halbe Zijlstra die een datsja-ontmoeting met Poetin fabuleerde tot een ‘ongelijkwaardige relatie’ van Kamerlid Han ten Broeke met een medewerkster. Tussen 1980 en 2018 kende de vvd 131 van dit soort affaires, aanzienlijk meer dan de tachtig van de pvda en de negentig van het cda. In zijn boek over de vvd, Liberale lessen, weet Elsevier-journalist Gerry van der List het eraan dat individuele uitglijders vaak laconiek werden behandeld door de partijleiding, in het bijzonder door Rutte, die bekendstaat om zijn loyaliteit, ‘wat onder meer tot uiting komt in het snel steun uitspreken aan vertrouwelingen die deze steun in sommige gevallen niet echt verdienen’.
Je zou het ook kunnen verklaren uit het feit dat de vvd een veel kleinere partij is dan bijvoorbeeld de pvda (vorig jaar 23.907 leden om 41.078 leden), waarbij de liberale leden zich doorgaans minder direct ideologisch verbonden voelen met de partij, en zo elkaar minder streng in de leer beoordelen. Het falen van één lid straalt blijkbaar niet af op de populariteit van de partij als geheel. Je zou ook kunnen zeggen dat de vvd een partij voor ‘doeners’ is, zoals ze zelf graag zegt, niet voor denkers of debaters. En wie doet, doet wel iets fout – hakken en spaanders, dat werk. Dat levert allicht een mentaliteit op die impliceert dat echte ondernemers nu eenmaal de grenzen van de wet opzoeken, en wie daar eens overheen schiet – tsja, kan gebeuren.
In ieder geval vertelden de peilingen voor de vvd in het weekend na de val van Rutte III een ander verhaal dan voor de pvda. De toeslagenaffaire liet zien hoe kansloos de burger is tegen een rigide overheid, die vanuit systemisch racisme of volkomen onverschilligheid kil opereert. Rutte benadrukte herhaaldelijk dat hij hiervoor zijn volledige politieke verantwoordelijkheid nam, fietste naar de koning, bood het ontslag van zijn volledige kabinet aan, en kon dit weekend zien hoe zijn partij er in de peilingen één of twee zetels bij had gekregen.
‘Kunt u nog wel verder als lijsttrekker?’ vroegen de verzamelde media op de persconferentie afgelopen vrijdag massaal aan Rutte. Die peilingen waren het antwoord op die vraag.

Waarom kleeft zo weinig aan de vvd? Waarom lijkt geen rel Rutte’s onverstoorbaarheid te breken? Die vragen kun je het best beantwoorden door terug te gaan in de tijd, toen Rutte nog niet onverstoorbaar was.
Daarvoor moet je anderhalf decennium terug gaan. Jozias van Aartsen was partijleider en had een nieuw liberaal manifest opgesteld, Om de vrijheid. Dat was, schreef de Volkskrant indertijd, alsof de vvd eindelijk de luiken open gooide, ‘een volwassen poging de balans op te maken na de opstand van de kiezers in 2002’. Van Aartsen pleitte voor democratische vernieuwing, referenda, een gekozen burgemeester. Het belastingstelsel moest op de schop, op middelbare scholen moest er meer vaderlandse geschiedenis onderwezen worden. Weg met het rechts-links-denken, meerstemmigheid was het devies.
Nog een keer de Volkskrant: ‘De vvd is als het ware de salon van Jozias, waar liefhebbers van het politieke debat als vanzelf naartoe gezogen worden. Dat geldt niet alleen voor beroepspolitici als Zalm, Van Baalen, Kamp, Hirsi Ali, Rutte, Verdonk, Schulz of Dales, maar in toenemende mate ook voor denkers en publicisten als Ankersmit, Docters van Leeuwen, Cliteur, Van Middelaar, Spruyt, Boekestijn, De Winter, Philipse, Ellian of Rosenthal.’
Dit was 2005, net na Fortuyn en Van Gogh. Het voelt als langer geleden, al was het maar omdat zoveel van die genoemde denkers en publicisten inmiddels zo ver bij de vvd vandaan zijn gedreven, naar het buitenland toe, hun pensioen in, en vooral naar het reactionair rechtse toe.
Van Aartsen had wel een kiezersmandaat nodig, vond en stelde hij: ik moet minstens veertien procent houden bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2006. Het werd 13,8 procent. Diezelfde avond maakte Van Aartsen aan een klein clubje getrouwen bekend dat hij stopte – onder die getrouwen de jonge staatssecretaris Mark Rutte, de enige vvd’er die de volgende dag al hardop durfde te zeggen dat hij Van Aartsens leiderschap wilde overnemen.
NRC-journaliste Petra de Koning beschrijft in haar recente Rutte-biografie hoe het premierschap altijd al zijn droom was geweest – met vrienden op de middelbare school deed hij altijd al politieke interviews na, waarbij Rutte steevast de premier speelde. Nog voordat hij lid van de jovd werd – en dus als aspirant-politicus gezien kon worden – schreef Rutte’s boezemvriend een zelf geprint boekje, Het Tsjernenko Complot, waarin de hoofdpersoon Rutte voorman was van de Reactionaire Partij Nederland en voor het leven benoemd premier was.
(Voor het leven benoemd; dat begint al bijna als profetisch aan te voelen. Al is deze ‘premier Rutte’ in Het Tsjernenko Complot gescheiden van Miss Panama.)
Aanvankelijk leek Rutte de enige kandidaat voor het partijleiderschap, maar in de coulissen van de vvd-kantoren begonnen andere krachten een andere kandidaat naar voren te schuiven. Eerst zei ze dat ze geen zin had, maar ze liet zich vleien en gooide haar hoed in de ring: Rita Verdonk. ‘Niet links, niets rechts, maar recht door zee’ (maar vooral toch heel rechts.)
Net als Rutte was Verdonk door Gerrit Zalm naar Den Haag gehaald – ze was geen partijcoryfee, maar Zalm was naarstig op zoek naar vrouwen voor in het kabinet. ‘Kordaat, tevens warm’, noteerde hij na afloop van zijn gesprek met haar, waarmee hij op de laatste plaats binnen kwam op het Nederlands Kampioenschap Mensenkennis.
Zalm blikte er later op terug en zei tegen Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing in haar Rutte-biografie, Mark (2016), dat er bij de vvd nooit een ideologische strijdt woedt, zoals bij de pvda, maar dat het om de personen gaat. Ze moeten elkaar liggen, anders is het moord en doodslag: ‘Bij de vvd heb je twee soorten baden: warme baden of bloedbaden.’
In het geval van Rutte versus Verdonk werd het het laatste, een moddergooicampagne die zeven weken lang het nieuws domineerde. Verdonk speelde het spel in de media, met handschoenen uit: ‘Wat mij onderscheidt van Mark Rutte is daadkracht en duidelijkheid.’ Rutte speelde het meer uit het zicht: in 1988 was hij voorzitter van de jovd geworden, ruim voor de komst van de mobiele telefoon, wat betekende dat hij continu door het land trok om met verongelijkte mensen bij jovd-afdelingen te praten – en ze te paaien, gerust te stellen, ‘meeveren’ met hun bezwaren en zo ‘de knopen weg masseren’. Dat netwerk dat hij toen opbouwde had hij onderhouden, en in de strijd tegen Verdonk kwam het over de brug. Met 51 procent tegen 46 procent kwam hij, live vanuit het Okura, tot ook zijn eigen verrassing als winnaar uit de bus.
Sitalsing merkte terecht op dat de strijd wel degelijk om de koers draaide, namelijk of de vvd in de nasleep van de Fortuyn-revolte een kalme, breed georiënteerde bestuurderspartij bleef (Rutte), of ‘een niet-gouvernementele volkspartij die avonturiers op rechts de pas afsneed’ (Verdonk). Vandaar dat Verdonk haar volgers bleef hebben, vandaar dat ze zich met 67.355 meer voorkeurstemmen dan Rutte bij de verkiezingen van 2006 gesterkt voelde om zijn positie te ondermijnen. Ze vond hem te slap, te links, hij kon niet tegen Wilders op in het integratiedebat. Pas na een jaar van interne kritiek extern geuit zette Rutte Verdonk uit de fractie, in september 2007. Een paar dagen later was er een vvd-congres in Veldhoven, waar de leden zich over zijn leiderschap konden buigen. Het Parool voelde de bui hangen: ‘Het einde van een politicus zonder mening.’ De Telegraaf: ‘Vaarwel, Mark.’
Over Rutte’s onverstoorbaarheid gesproken: op de dag van Veldhoven zei hij tegen zijn naaste medewerker: ‘Dit wordt onze laatste dag.’ Hij zei het niet rancuneus, of boos. ‘Wij hebben samen een ongelooflijk boeiende en mooie tijd gehad. Laten we daar tot het laatste moment van genieten.’
Maar niet dus. Rutte speechte, kreeg de zaal in Veldhoven achter zich. Sitalsing: ‘Zijn politieke ontmaagding.’ Ze citeert campagnestrateeg Jan Driessen: ‘Rita is Marks redding geweest. Niets kan hem meer deren. Wie zo frustratie heeft moeten wegslikken, kan alles hebben. Die gaat nooit meer neer.’
Elsevier-redacteur Gerry van der List citeert in Liberale lessen diezelfde Jan Driessen, over hetzelfde moment, maar bij hem zegt Driessen diametraal het tegenovergestelde: Rutte was na Rita onzeker en afwachtend geworden. ‘Bij lezingen vroeg hij zenuwachtig om de uitgeschreven tekst omdat hij houvast nodig had. Het was maar de vraag of hij weer de charmante, positieve en vooral strijdvaardige Mark van vroeger kon worden. Hij was duidelijk zoekende.’
Dat zoekende merkte je aan alles. Hij kwam met plannen voor een ‘groen rechts’, probeerde zich te profileren als denker, door in Elsevier te schrijven over Friedrich von Hayek, en in Opinio over zijn bewondering voor Isaiah Berlins twee vormen van vrijheid. In een poging zichzelf als kampioen van het vrije woord te manifesteren pleitte hij ervoor artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht te wijzigen, dat belediging en het aanzetten tot haat en discriminatie verbiedt. Dat dat ook betekende dat holocaustontkenning dan niet langer strafbaar was, accepteerde hij. De rest van de vvd vroeg zich af waar hij mee bezig was. De peilingen bleven waardeloos, meerdere keren hing zijn leiderschap aan een zijden draadje.
Dit waren de jaren dat alles aan Rutte anders moest. Zijn bril, zijn kapsel, de studentikoze overhemden die hij droeg, zijn vroegoude gewoonte sigaren te roken. Dit was ook de tijd dat zijn privé-leven nog een vraagteken was, want hoewel er zo’n drie miljoen alleenstaanden in Nederland waren, snapte niemand er iets van dat Rutte notoir vrijgezel was. Roddelbladen doken er bovenop, tegen Privé zei hij dat zijn type ‘sterke en mooie carrièrevrouwen’ waren, zoals Daphne Deckers, Sophie Hilbrand en Sacha de Boer. Drie van tevoren bedachte namen. Rutte probeerde er doorheen te lachen, maar zat er doodongelukkig bij.
Je zou kunnen zeggen dat Rutte die jaren nog in de vvd zat zoals Van Aartsen die had bedacht: een partij als salon, waar liberalen van allerlei overtuigingen bij elkaar kwamen en met elkaar van ideeën konden wisselen over hoe de Nederlandse maatschappij gevormd kon worden. Dit gold niet alleen voor de vvd natuurlijk, dit was het hele publieke debat in Nederland van die tijd, dat zich bovenal centreerde rond de vraag hoe de breuklijnen in de maatschappij gedicht konden worden die met de Fortuyn-revolte aan het licht waren gekomen. Rutte wist er zichtbaar geen raad mee. Een open microfoon pikte op hoe toenmalig vvd-Kamerlid Arend-Jan Boekestijn tegen Maarten van Rossem zei: ‘Hij heeft geen ideeën. Schokkend, hoor!’
Wat Rutte redde was de kredietcrisis die vanaf begin 2009 echt opvlamde. Opeens hoefde Rutte het niet meer over de vrijheid van meningsuiting te hebben, over het intellectuele liberale gedachtegoed. Rutte kon pas Rutte worden toen de crisis hem ontsloeg van het hebben van ideeën: it’s the economy, stupid. Hij hoefde alleen nog maar oppositie te voeren tegen het haperende economische beleid van Balkenende IV. Grote maatschappelijke ideeën waren niet nodig, alleen geld en banen – en in de aanloop naar de verkiezingen van 2010 werd de vvd-campagne gevoed door economen die wisten hoe de rekenmodellen werkten van het Centraal Planbureau – dat alle verkiezingsprogramma’s doorrekende – waardoor de vvd het best uit de test kwam. De vvd scoorde met slogans als: ‘De economie kan wel wat meer vvd gebruiken.’
Verdonk was vergeten, en op een bepaalde manier Rutte ook. Als particuliere lijsttrekker was hij nog steeds niet heel populair bij de kiezer (lijsttrekkers als Halsema en Pechtold werden bijvoorbeeld veel hoger gewaardeerd), maar de vvd bleef desondanks groeien in de peilingen. In de versplintering van het politieke landschap bedacht Rutte dat de vvd nog weleens ‘de kleinste grootste partij kon worden’ – wat op zichzelf de kleinste grootste ambitie is.
Die voorspelling klopte. Op 9 juni 2010 haalde de vvd 31 zetels, eentje meer dan de pvda. Verdonks Trots op Nederland haalde de Kamer niet.

Een sprong naar 2020. Bij het tienjarig jubileum als premier werden in alle profielen, analyses en commentaren over Mark Rutte drie meningen steeds van stal gehaald.
Dat laatste werd perfect geboekstaafd in de biografie die NRC-journaliste Petra de Koning schreef. Haar vlotte schets toont de Mark Rutte die niet om uiterlijk vertoon geeft, die nog steeds in een oude Saab rijdt, die behoorlijk onder zijn salarisschaal half studentikoos op een etage woont, nooit zelf kookt, die tijdens een gesprek met Apple-ceo Tim Cook zijn vooroorlogse Nokia-telefoon tevoorschijn trekt. Mark Rutte het gewoontedier, die niet alleen weken vooruit plant, maar hele jaren. Waarvan partijprominenten weten: Mark komt langs dus dan moet mijn vrouw een pruimentaart bakken, en geen andere taart. Want Mark is gewend aan een pruimentaart.
‘Een aardige en inderdaad helemaal niet zo bijzondere man’, concludeerde de Volkskrant-recensent. Maar je zou toch moeten zeggen dat Rutte’s alledaagsheid een fascinerende, gewapende, monomane alledaagsheid is – waar je eigenlijk uit kunt concluderen dat ze niet alledaags is. Dat is de unieke paradox: alle eigenschappen en voorkeuren van Rutte zijn je bekend en vertrouwd, en toch ken je niemand zoals hij.
Dat tweede punt, van die crisismanager, werd bij zijn tienjarig jubileum al ongeveer wekelijks beschreven, in alle analyses van het coronabeleid. In tijden van crises was zijn controledwang buitengewoon effectief, waardoor iedereen wist waaraan ze toe waren. Ministers van alle partijen spraken hun bewondering uit. Al in zijn jongere jaren als voorzitter van de jovd had hij leren meeveren, gladstrijken, vrede stichten, eindeloos netwerken. Hij had geleerd nooit deadlines te stellen als ze niet nodig zijn, om nooit commentaar persoonlijk te nemen, om problemen altijd in eufemismen te verpakken, waardoor het leek of ze helemaal geen problemen waren. Of op z’n minst menselijke problemen, geen politieke.
Dat derde punt dat in elk profiel genoemd moet worden, dat Rutte zo onwaarschijnlijk niet-ideologisch is, heeft een langere aanloop. De socioloog en politicoloog Merijn Oudenampsen beschrijft het in zijn De conservatieve revolte, een van de meest manmoedige pogingen de politieke ideologische omwentelingen van de laatste twintig jaar te analyseren.
Manmoedig, omdat het iets tegen-de-klippen-op heeft. Zoals Oudenampsen zelf al schrijft is een kenmerkend aspect van de Nederlandse politiek dat die graag ver bij intellectuelen en ideologen uit de buurt blijft. Drie voorbeelden: waar Thatcher en Reagan het neoliberale vrijemarktdenken in de jaren tachtig in gloedvolle speeches vol oneliners aan de man brachten, ontmantelde Ruud Lubbers in zijn drie kabinetten de ‘quasi-publieke goederen’ (sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs) onder de depolitiserende slogan van het ‘no-nonsense-beleid’. Waar Clinton en Blair in de jaren negentig de sociaal-democratische omarming van de vrije markt vierden als de geboorte van een nieuwe ideologie riep Wim Kok meteen op ‘niet te uitbundig met het Derde Weg-etiket te wapperen’. Het zou niet ideologisch bedoeld zijn, louter pragmatisch. En in het decennium erop werd tijdens de conservatieve wending van het immigratiedebat de onverenigbaarheid van de islam en het Westen door rechts gepresenteerd als vanzelfsprekend ‘realisme’.
Oudenampsen schrijft: ‘Wat telkens op het spel lijkt te staan in het Nederlandse debat is het geaccepteerd krijgen van de ideeën bij andere partijen als deel van de consensus. Je presenteert je ideeën daarom niet als een conservatief of socialistisch of neoliberaal programma, maar als zakelijkheid, realisme en pragmatisme. Zelfs de partijen op de linker- en rechterflank presenteren zich als realisten en pragmatici; het zijn hun tegenstanders die een droombeeld najagen. (…) Ideologie, c’est les autres.’
Ook Van der List schrijft over de buitengewoon niet-ideologische kant van de vvd. Wetenschappers hebben de neiging zich te concentreren op verkiezings- en beginselprogramma’s of op publicaties van de Teldersstichting, het wetenschappelijke bureau van de vvd, en ontwaren zo meer samenhang en consistentie in de koers van de partij dan er daadwerkelijk is. Partijpublicaties worden meer geschreven dan gelezen. Al in 1961 stelde het Liberaal reveil dat het ‘een onloochenbaar feit is dat discussies in liberale kring slechts door hun afwezigheid de aandacht trekken’.
In de lange geschiedenis wijst Van der List erop dat de liberalen van oudsher een dominante positie in de maatschappij hadden, anders dan bijvoorbeeld de katholieken en socialisten, en zo dus geen emancipatiebeweging hoefden te zijn waarin hun identiteit moest worden verwoord. vvd-congressen zijn omgevormd tot vvd-festivals, waarbij debatten tussen leden niet van hogerhand worden aangemoedigd. De vvd is veranderd van deftige meneren van de Torenlaan in Blaricum en de Konijnenlaan in Wassenaar naar vlotte ondernemers uit de provincie, constateerde Mark Rutte zelf, in een podcast met zijn goede vriend Jort Kelder, eind 2019. Of zoals Kelder over de vvd-festivals opmerkte: ‘Je heurt er tegenwoordig wel héél veel Brabants.’
In zekere zin wil Oudenampsen betogen dat die ideeënloosheid een misvatting is. De grootste truc van de duivel was de wereld ervan te overtuigen dat hij niet bestaat – Oudenampsen wil juist laten zien welke internationale ideeën via Nederlandse politici en denkers bijna stilzwijgend worden doorgegeven de politiek in, vooral via figuren als Cliteur en Hirsi Ali en vooral Bolkestein. Een heel interessante denkoefening, maar eentje waarvoor Rutte een onmogelijke figuur is: in De conservatieve revolte wordt hij maar vijf keer genoemd, meestal in het voorbijgaan.
Rutte spreekt graag over ‘repertoire’: zinnen die hij te pas en te onpas gebruikt. Een zo’n zin is ‘De vvd is een middel en geen doel.’
Het talent van Mark Rutte is dat het hem gelukt is al die tijd zelden of nooit te formuleren wat dan wél het doel is. Ja, in verkiezingsprogramma’s wordt steevast gesproken over een ‘weerbare maatschappij’, waar mensen niet ‘betutteld’ worden door de overheid. Maar dat is vage taal waar niemand het mee oneens kan zijn.
Dat talent heeft ook iets cynisch, omdat het de weg vrij maakt voor een politiek-vrije politiek. Dat politiek-vrije is zichtbaar in het feit dat hij deze tien jaar moeiteloos, vaak vrolijk lachend heeft geregeerd met het bonte gezelschap van het cda, de pvv, pvda, d66 en de ChristenUnie. Vaak wordt dat als een uniek pluspunt gezien: zijn vermogen met iedereen te onderhandelen en elke plooi te kunnen gladstrijken. Maar wat het cynisch maakt is beter te zien als je hem met Lodewijk Asscher vergelijkt; een pvda-lijsttrekker hoort op te komen voor mensen die het economisch zwaar hebben, en vanuit achterstandsposities de maatschappij in willen treden. Hij staat zodoende voor een sociaal-democratisch ideaal, en dus zijn er voor hem consequenties als hij dat ideaal tekortdoet.
In de politiek is een ideaal in feite een ander woord voor een probleem. Of tenminste: een ideaal betekent dat je het gevoel hebt op aarde te zijn om een bepaald probleem op te lossen, of een misstand te verhelpen. Hierin schuilt de onkwetsbaarheid van Rutte: hij belichaamt geen ideaal, geen concreet idee, en is zodoende ook nooit het gezicht van een oplossing die tekortschiet, of een misstand die niet verholpen wordt, of een uitgesproken maatschappelijk idee waarmee je het oneens bent. Het enige wat Rutte na elf jaar premierschap belichaamt is, nota bene, het hele politieke systeem an sich – maar dat is er eentje waarin alle genoemde partijen meedoen.
Nog meer repertoire: ‘Ik heb geen talent voor het sombere.’ Je zou ook kunnen zeggen dat iedere politicus iets sombers hoort te hebben, want iedere politicus die uit idealen handelt, wordt gedreven door een probleem dat nog niet opgelost is. Natuurlijk is de toeslagenaffaire pijnlijker voor Asscher dan voor Rutte, want de vvd is nu eenmaal nooit de partij voor bijstandsmoeders geweest.
Bij zijn jubileum als premier werd in analyses en profielen vooral de vraag gesteld: ‘Wat wil Mark Rutte nu eigenlijk?’ Waar is het hem om te doen? Na tien jaar in het Torentje was dat nog steeds niet duidelijk. Oké, hij heeft als langste vastgehouden aan het afschaffen van de dividendbelasting. En hij lijkt het verbod op circusdieren in z’n eentje doorgedrukt te hebben in het regeerakkoord van zijn tweede kabinet. Bonzo doet de groetjes. Maar dat was het wel zo’n beetje, meer dan dat lijkt hij niet te willen.
Misschien is het dan tijd om die vraag eens andersom te stellen: wat willen wij eigenlijk van hém?
Dit essay bevat fragmenten uit Joost de Vries’ nieuwste boek De gelukkigste man van Nederland, over Mark Rutte als spiegel van Nederland, dat 1 februari verschijnt bij Prometheus
Basketball speelt een belangrijke rol in mijn leven. Toen ik 14 was zag ik voor het eerst een wedstrijd. Ik zag balkunstenaar Jerome Freeman voor Frisol/Rowic tegen (ik meen) Jugglers spelen; mijn leven was veranderd.
Het duurde nog wel even voor ik lid werd van Frisol/R, toen was 15. Het is niet zo dat Basketball voor mij 'alles' was (of is). Het is wel een belangrijk onderdeel; ik werd 'Basketballer', en dat zal ik blijven voor de rest van mijn leven. Daarbij maakt het niet eens veel uit dat ik zelf niet meer kan spelen; ik was Speler en nu doe ik andere dingen in het Basketball.
Hoe het Nederlandse Basketball reilt en zeilt, telt dus voor mij; het houdt mij bezig en ik zou graag beter zien gaan. Dus wil ik daar mijn steentje aan bijdragen.
Het kan zijn door Kinnesinne, Frustratie, Sensatielust, Domme Onwetendheid, Profileringsdrang, Persoonlijke Aversie, enzovoort; er wordt in en rond het Nederlandse Basketball nogal eens met modder gegooid. Daar baal ik weleens van.
Basketball is een schitterende sport; met voetbal de grootste teamsport ter wereld, spectaculair en een mooie metafoor voor het 'gewone leven'; alles zit erin.
Alleen weten in Nederland slechts relatief weinig mensen dat, en dat is jammer, want de sport Basketball verdient een groter en belangrijker podium in de Nederlandse samenleving.
O.a. daarom schrijf/deel ik, op deze Blog of in mijn column op www.iBasketball.nl .