Hij werkte jaren in de haven van Dakar voordat hij ontslagen werd
na een arbeidsconflict. Mansour en zijn team vroegen om
salarisverhoging. De baas weigerde niet alleen, maar stuurde iedereen
ook onmiddellijk de laan uit. Zo kwam het dat Mansour (42), vader van
twee meisjes, nu vier jaar werkloos, zijn oren spitste toen een vriend
hem een interessant voorstel deed. Een vissersboot zou binnenkort met
een man of tachtig naar de Canarische eilanden vertrekken. De kapitein
had een navigator nodig, en Mansour, die een GPS-ontvanger kan bedienen,
leek de perfecte kandidaat. Hij mocht gratis mee als hij de boot naar
Spaans grondgebied zou koersen.
Een enkeltje Europa, en nog voor
niks ook – dit was de kans waar Mansour zo lang op had gewacht. Hij ging
naar een internetcafé, printte een zeekaart uit en vroeg een
geestenbezweerder een beschermende amulet te maken. De houten boot
verliet de kust van Senegal op zondagavond 23 april. De vrouw van
Mansour dacht dat hij in het noorden een paar dagen ging vissen. Zijn
ouders, bij wie hij in huis woont, wisten van niets.
Zes dagen
later was Mansour terug. Een van de twee motoren had het onderweg
begeven, en het leek de bemanning niet verstandig om de 1.500 kilometer
lange tocht met één motor door te zetten.
Gods wegen zijn
ondoorgrondelijk, weet Mansour, die met zijn vrouw en dochtertjes in een
tweepersoonsbed slaapt dat bijna hun hele eenkamerwoning in beslag
neemt. Aan het voeteneind van het bed staat een metershoge wandkast
waaruit hij de zeekaart pakt. Behoedzaam vouwt hij het A4’tje uit om met
een vinger de dunne zwarte lijn over de blauwe oceaan naar de gedroomde
eilanden te volgen. „Ik ben niet bang voor de zee”, zegt Mansour
rustig, peinzend, gebiologeerd door de kaart. „En ik ben ook niet bang
voor de dood.”
Niemand kan met zekerheid zeggen hoe en wanneer het
precies begon. Maar begin dit jaar doken ze ineens op: de felgekleurde,
stampvolle vissersboten die met tachtig, negentig, honderd Afrikanen
aan boord aanmeerden op de Canarische eilanden, het dichtstbijzijnde
stukje Europees grondgebied voor de West-Afrikaanse kust. Eerst waren
het alleen Senegalese vissers, daarna volgden de stadsjongens en de
boeren, toen ontdekten de Malinezen, Guineërs, Ivorianen en Liberianen
het traject, en tegenwoordig komen de migranten zelfs uit Pakistan en
India gevlogen om de boot naar Europa te nemen. In mei hadden ruim
negenduizend bootmigranten de Canarische eilanden bereikt; inmiddels
wordt hun aantal geschat op ruim 25.000. Het voorlopige record van de
bootgolf werd in september genoteerd. In één weekeinde stapten 1.400
Afrikanen aan wal. De meeste bootmigranten zijn, nog steeds, Senegalees.
Migratiestromen
zijn als water. Ze zoeken altijd het laagste punt, de weg van de minste
weerstand. De populariteit van de riskante zeereis werd onder meer
veroorzaakt door het aanscherpen van de grensbewaking in Marokko. Dat
land ging harder optreden tegen Afrikaanse migranten na de bestormingen
van de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla eind vorig jaar. Het succes van
de smokkelroutes door de Sahara was niet langer gegarandeerd en de
aandacht van de aspirant-migranten verschoof naar de oceaan. Toen ook
het buurland Mauretanië onder druk van de Europese Unie intensievere
kustpatrouilles ging uitvoeren, kwam het zuidelijk gelegen Senegal in
beeld. Met een kustlijn van vijfhonderd kilometer en een eeuwenoude
traditie in de visserij bleek Senegal ineens de beste springplank naar
het beloofde land.
Hoe wanhopig ben je als je op volle zee een
tocht van 1.500 kilometer onderneemt in een open houten boot? Volgens
een ruwe schatting van het Rode Kruis zijn het afgelopen jaar
drieduizend bootmigranten omgekomen. Honderden jongens verdronken omdat
hun boot halverwege schipbreuk leed, anderen stierven door uitputting of
uitdroging.
Maar wanhopig? Dat is wat Europeanen denken.
Jonge
Senegalezen kijken heel anders aan tegen emigratie. Ze weten dat het
vrijwel onmogelijk is geworden een Schengen-visum te krijgen. Konden hun
ouders begin jaren zeventig nog gewoon met het vliegtuig naar Frankrijk
of Italië, voor hen is dat privilege niet meer weggelegd. Ze kiezen de
zee omdat ze vertrouwd zijn met vissersboten. En het is makkelijk om de
ogen te sluiten voor de risico’s die ze lopen. Daar wordt simpelweg niet
over gepraat. Ze horen alleen de succesverhalen. Ze zien de huizen die
de emigranten voor hun ouders laten bouwen. Ze zien de auto’s waarin de
emigranten rondrijden als ze in Senegal op vakantie zijn. Ze zien hoe de
voormalige nietsnut uit het dorp met geld komt smijten als hij eens in
de zoveel jaar zijn vader en moeder bezoekt.
Emigratie is al een
fenomeen sinds de koloniale tijd. Van de twaalf miljoen Senegalezen
wonen minstens een half miljoen in het buitenland. „De weinige families
waarmee het goed gaat, zijn de families die migranten in hun gelederen
hebben”, zegt geograaf Papa Demba Fall, die voor het onderzoeksinstituut
IFAN migratieroutes in kaart brengt. „De meest gerespecteerde
universiteitsdocenten zijn degenen die in Europa hebben gestudeerd. De
belangrijkste religieuze leiders zijn degenen die in Europa zijn
geweest. Zelfs de voetballers van het nationale elftal spelen allemaal
voor Europese clubs. Dat heeft een enorme invloed op onze mentaliteit.
Het beeld dat jongeren van Europa hebben, wordt niet alleen bepaald door
wat ze op televisie zien, maar ook door de mensen die er zijn geweest.
Zo krijgen ze iedere dag de voordelen van emigratie voorgespiegeld.”
Met
een vissersboot richting Canarische eilanden vertrekken heet in de
volksmond ‘Mbëek’, een woord dat het beeld oproept van een ram die in de
aanval gaat. „Mbëek staat voor beuken in de hoop dat het net breekt,”
zegt Demba Fall. „Vroeger kon je er omheen, nu kan dat niet meer. Alle
middelen zijn dus geoorloofd om het fort open te breken dat rond Europa
is opgetrokken.”
Mansour gaf niet op. Kort na de eerste, mislukte
poging verkocht hij zijn kostbaarste bezit: het stukje land waarop hij
ooit een eigen huis hoopte te bouwen. Het bracht 7.000 euro op, genoeg
om voor zichzelf, twee broers en zes halfbroers een kaartje voor de boot
te kopen. Wat hij overhield, gaf hij aan zijn vrouw. Deze keer vertelde
hij haar wel dat hij van plan was naar de Canarische eilanden te varen.
„Ze vroeg: ‘Weet je het zeker?’ Ik zei: ‘Niets is zeker. Als het lukt,
is het met de hulp van God’.”
De vrome moslim Mansour is niet
ongelukkig in zijn krappe, met foto’s en kunstbloemen versierde
eenkamerwoning. „Maar het idee dat ik niets voor mijn dochters kan
achterlaten, laat me niet los. Het is heel erg moeilijk om hier een baan
te vinden. In Europa kan ik tenminste geld verdienen. Je wilt toch
vooruit in het leven. Zo zit de mens nou eenmaal in elkaar.”
De
boot zou eind mei vertrekken vanuit een van de kleine vissershavens aan
de rand van de stad. Het eten was bij de prijs inbegrepen. Mansour wist
dat alles aan boord zou zijn: vaten diesel, zakken rijst, water,
gasstellen om op te koken. Ze gingen in het holst van de nacht aan
boord, 87 man in totaal. Mansour was een van de oudsten. Het ging vijf
dagen goed. Op de zesde dag begon de boot water te maken. Een barst in
de boeg. De jonge garde wilde koste was het kost doorvaren. Mansour: „Ze
zeiden: ‘Vooruit, we wagen het erop, je gaat maar één keer dood’.” Maar
Mansour was het met de kapitein eens dat ze rechtsomkeert moesten
maken. Hozend als bezetenen en totaal uitgeput strandden ze uiteindelijk
in Mauretanië. Mansour belde zijn vrouw op dat hij nog leefde en nam
samen met zijn broers de bus naar Dakar.
Emigratie is een netelige
kwestie voor de regering van Senegal, die tot voor kort dan ook
angstvallig zweeg over de bootmigranten. Meer dan de helft van de
huishoudens leeft onder de armoedegrens. Jongeren die van goedbetaald
werk in Europa dromen, zijn vaak van het droge, onvruchtbare platteland
naar de hoofdstad getrokken om werk te zoeken in de visserij. Maar de
visserij levert steeds minder op en banen ontbreken, ook voor degenen
die een diploma hebben. Veertig procent van de stadsjongeren is
werkloos. President Abdoulaye Wade heeft zijn beloftes – meer
werkgelegenheid, meer koopkracht – niet ingelost. Volgend jaar worden
weer presidentsverkiezingen gehouden. Wade mikt op een tweede
ambtstermijn. Tot die tijd zal hij zo min mogelijk doen om het probleem
aan te pakken, meent de directeur van een buitenlandse hulporganisatie.
„Migratie ligt veel te gevoelig. Op het strand pik je de boten die voor
migranten gebouwd worden er zo uit. Het zou heel makkelijk zijn om de
politie erop af te sturen, maar het is duidelijk geen prioriteit.”
Tekenend
voor de huiver van de regering was het fiasco van de eerste
repatriëringsvluchten. In mei begon Spanje met het uitzetten van
Senegalese migranten die in een opvangcentrum op de Canarische eilanden
zaten. Het eerste vliegtuig had 99 geboeide illegalen aan boord. In
Dakar werden ze onthaald als martelaars. De Spaanse autoriteiten, zo
zeiden ze, hadden hun verteld dat ze naar het Spaanse vasteland zouden
worden gevlogen. De Senegalezen waren woedend, de pers sprak van
verraad, en de volgende dag zegde de regering de
repatriëringsovereenkomst met Spanje op. De kritiek trof niet alleen
Spanje, maar ook president Wade, die onder vuur kwam omdat hij een deal
met Madrid zou hebben gesloten. Na maanden van moeizaam overleg tussen
Senegal, Spanje en de Europese Unie werden de vluchten hervat. Senegal
heeft Spanje beloofd 3.000 mensen terug te nemen.
„Op basis van
die overeenkomst heeft Wade een boodschappenlijst opgesteld voor Spaanse
hulp”, zegt Laurent de Boeck, die verbonden is aan het regionale
kantoor van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). „Migratie
is inzet geworden van politieke onderhandelingen. Afrikaanse landen
zijn er helemaal niet op tegen dat al die werkeloze jongens het land
verlaten. Integendeel, als ze eenmaal in Europa zitten, sturen ze
miljoenen euro’s naar huis. Emigratie brengt meer geld in het laatje dan
ontwikkelingshulp.” In 2002 maakten Senegalezen in het buitenland
ongeveer 270 miljoen dollar over, of een kwart van het staatsbudget. Een
deel van dat bedrag komt terecht bij de machtige religieuze leiders –
marabouts – die op hun beurt goed verdienen aan bootmigranten. Jongens
die erin zijn geslaagd naar het buitenland te komen, sturen de rest van
hun leven geld naar de marabout die de spirituele wereld gunstig stemde
voordat de boot vertrok.
Sinds september speurt nu ook het
Europese agentschap voor de buitengrenzen Frontex de Senegalese kust af
op bootmigranten. Spanje en Italië hebben patrouilleboten, een
vliegtuigje en een helikopter beschikbaar gesteld. Frontex was al actief
voor de kust van Mauretanië. Volgens een woordvoerder van het
Senegalese leger werden binnen een week 1.400 gelukszoekers van zee
gevist. Madrid zegt dat het geen bootmigranten meer kan opnemen. Maar
zolang de lidstaten van de Europese Unie het niet eens worden over een
gemeenschappelijk immigratiebeleid, blijven de Afrikanen komen, zeggen
hulporganisaties.
„Met repressie schiet je weinig op”, zegt De
Boeck van het IOM, dat voor een regionale benadering pleit. „Veel
Senegalezen zien geen alternatief en migratiestromen zijn per definitie
elastisch.” Nu al hebben de patrouilles in Senegal de migranten verder
naar het zuiden gedwongen. De nieuwste vertrekpunten zijn Gambia en
Guinee-Bissau.
De Senegalese repatrianten van de Canarische
eilanden worden tegenwoordig weggemoffeld in Saint Louis, een afgelegen
stad in het noorden van Senegal. Pas onlangs sprak president Wade zich
uit over het probleem. Met het oog op de verkiezingen heeft hij een
ambitieus plan gelanceerd om de zieltogende landbouw nieuw leven in te
blazen. De jeugd moet met schoffel en zeis terug naar het platteland.
Spanje helpt met de financiering van het miljoenenproject. De
bootmigranten „keren hun vaderland de rug toe op het moment dat Afrika
hun mankracht het hardst nodig heeft,” zei Wade. Geklets van een
hypocriet, schreef een Senegalese jongen verontwaardigd op internet.
‘Abdoulaye Wade heeft jaren in Frankrijk gewoond en kwam terug met een
blanke vrouw. Zijn kinderen hebben in Engeland en Zwitserland
gestudeerd. En dan durft hij nu te beweren dat het daar niet oké is?!’
Toch
gaan ook stemmen op om de exodus te keren. Thiaroye-sur-mer is een
haveloos vissersdorp dat via een naar uitlaatgassen stinkende
doorgangsweg is vastgegroeid aan Dakar. Hier heeft een groep vrouwen de
strijd met emigratie aangebonden. De bekendheid van het
vrouwencollectief is vooral te danken aan de daadkracht van voorzitster
Yayi Bayam Diouf. Haar enige zoon verdronk eerder dit jaar vlak voor de
Spaanse kust. Met een scherp gevoel voor timing viel ze de Franse
socialistische presidentskandidate Ségolène Royal snikkend om de hals
toen die een bezoek bracht aan de binnenplaats waar de vrouwen couscous
en vruchtensap maken. Met de opbrengst van de verkoop proberen de
moeders hun gezin draaiende te houden. Ze leggen ook geld opzij voor een
pelgrimstocht naar Mekka, waar ze willen bidden voor hun overleden
zoons.
„Bijna alle jongens in ons dorp hebben hun visnetten
verkocht om te emigreren. Degenen die het niet halen, zijn er erger aan
toe dan voorheen. Ze zijn alles kwijt. Nu moeten wij voor hen zorgen.
Wij zijn de kostwinners geworden”, zegt vice-voorzitter Abi Samb, die
zich puffend koelte toewuift met een plastic waaier. Ze wijst op een
lusteloze vrouw die zwijgend op de drempel van het bloedhete kantoor
hurkt. „Zij heeft al acht maanden niets van haar zoon gehoord. We gaan
ervan uit dat hij is omgekomen.”
De moeders in Thiaroye-sur-mer
moedigen hun zoons niet langer aan te vertrekken, zegt Samb. Vroeger
deden ze dat wel – allemaal. „Onze echtgenoten zijn polygaam. Sommige
mannen hebben vier vrouwen, dus de onderlinge rivaliteit is groot. De
succesvolste vrouw is degene die als eerste haar zoons naar Europa
stuurt.”
De vrouwen leven op als voorzitter Diouf in een wolk van
witte sluiers arriveert. Diouf heeft zojuist gehoord dat een jongen uit
het dorp in een opvangkamp op de Canarische eilanden zit. Zijn moeder
kreeg vanochtend een telefoontje. Iedereen is opgelucht. Diouf
organiseert een openbare bijeenkomst met een imam die het dorp komt
toespreken over emigratie. Hij zal de dorpelingen ervan doordringen dat
bootmigratie gelijk staat aan zelfmoord, en zelfmoord is een van de
ergste zonden in de Koran, vertelt ze.
Haar rechterhand Abi Samb
loopt ten afscheid mee naar buiten, naar een zanderig pleintje waar
modderige schapen aan een berg vuilnis knabbelen. Samb is een van de
gelukkigen. Haar zoon werkt in Italië en stuurt iedere maand geld. Maar
hij heeft nog steeds geen huis voor haar gebouwd, zegt ze met een
jaloerse blik op het gebouw dat pal naast de coöperatie staat. Het is
een splinternieuwe hoekwoning met houten luiken en glanzende witte
tegels tot aan het dak. Nergens in Thiaroye-sur-mer staat zo’n mooi
huis. „Dat is het huis van een migrant”, verzucht Samb.
Mansour
is, zo zegt hij zelf, „stand-by”. Zodra er weer een boot naar de
Canarische eilanden vaart, gaat hij mee, al weet hij nog niet waar hij
het geld vandaan moet halen. Het is moeilijker geworden, weet Mansour.
„De regering moest iets doen omdat de druk van Europa te groot werd.” De
eigenaars van de vissersboten, die ruim 13.000 euro per overtocht
opstrijken, wachten af. De ronselaars en de gelukszoekers ook. Over een
maand of twee zal de storm wel weer zijn gaan liggen, denkt Mansour. Dan
grijpt hij zijn kans. „Ik geloof in God.”