Posts tonen met het label Denken over Sport. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Denken over Sport. Alle posts tonen

zondag 20 oktober 2019

EVEN NADENKEN OVER / VLUCHTELINGEN TEAM.NL/ORANJE SPORT DOPING: Carolina Trujillo - 'Buitenbenen' (van Sifan Hassan) / NRC SPORT COLUMNISTE / WK 2019 /




Opinie





Buitenbenen

De snelste vrouw op de 10.000 meter loopt dit WK onder Nederlandse vlag en ze heet Sifan Hassan. Wat zullen Wilders en Baudet ziek zijn. Dertig minuten en zeventien seconden was haar tijd op de 10 kilometer. De meeste mensen die ik ken halen dat op de fiets niet eens, bij tegenwind reken ik mezelf daartoe.

Hassan werd in Ethiopië geboren in 1993, op haar vijftiende kwam ze naar Nederland. Door haar moeder op het vliegtuig gezet, verder wil ze het daar niet over hebben. In het begin zat ze in een opvangcentrum waar ze elke dag heeft gehuild. Als je goed kijkt, zie je dat verdriet nog steeds in haar ogen sluimeren.

In 2013 werd ze als Nederlander geboren, in ieder geval kreeg ze toen de plaatselijke nationaliteit. Nu loopt ze voor Nederlanders, voor hen die van buiten kwamen en zij die geen keuze hadden. Laat ik dat verduidelijken. Migranten hebben, met of zonder een pistool tegen hun hoofd, voor het land van aankomst gekozen. Als ze toegelaten worden, kiest het land ook voor hen. Bij inheemse bewoners had het land noch de bewoner een keuze. Die zitten met elkaar opgescheept. Aangaande een land is de oorspronkelijke bevolking het gedwongen huwelijk en de migrant de gekozen liefde.

Sifan vertegenwoordigt ons allemaal en dat doet ze niet alleen duizelingwekkend snel, maar ook met een tekenende strategie. Na de start neemt ze haar plek achterin het veld en daar blijft ze, alsof ze kiest voor beginnen vanuit achterstand. Als het lijkt of het te laat is, accelereert ze en passeert ze het peloton atleten zoals een renpaard langs dravers zou gaan.

In 2016 koos ze als trainer Alberto Salazar hoewel USADA al een onderzoek naar hem was gestart. Iets met verboden middelen, uiteraard. Met hem in zee gaan, was kiezen voor verdenkingen, dus in die zin koos Hassan ook hier voor een begin met een achterstand. Gevraagd of ze bang is voor die verdenkingen, antwoord ze resoluut „Nee. Ik weet dat ik schoon ben.”

Toen Sifan zaterdag goud op de 10 kilometer won, was Salazar nog in Doha. Maandagnacht werd zijn bevoegdheid afgenomen. Hij is voor vier jaar geschorst. Contact met zijn atleten werd verboden. Woensdag liep Sifan de halve finale van de 1.500 meter zonder trainer, op haar manier: eerst de hele tijd in de achterhoede, dan schijnbaar moeiteloos langs de dravers en met die vederlichte rotgang als eerste over de finish.

Sifan lijkt te lopen zoals ze leeft, vanuit schijnbare achterstand, met een gave voor een lange eindsprint. Ze is nu zesentwintig, Usain Bolt stopte op zijn 33ste. Zij is rond haar zeventiende serieus gaan trainen. Elk moment kan haar lange eindsprint beginnen. Zaterdagavond loopt ze om vijf voor acht de finale van de 1.500 meter, zonder trainer en zonder moeder. Het lijkt me het beste als we dan allemaal kijken, wij Nederlanders van de gekozen liefde en die van het gedwongen huwelijk. Sifan loopt voor ons allemaal, want een snelle vrouw kan meer verbinden dan een volksmenner scheiden kan.

Carolina Trujillo is schrijfster.

Meer:


vrijdag 11 november 2016

DOCUMENTAIRE-FILM / BOEK / DAVE EGGERS / LOST BOYS / SPORT / AANRADER / MUST READ: Over Zuid Soedan....





















Nogmaals UPDATED 8-11-2017, met artikel: NrcNext, 16-2-2007; zie onderaan,

en met de volgende Documentaire:



Docu: God Grew Tired Of Us










UPDATED Januari 2016

Even leek het er wat beter uit te zien voor de geplaagde regio die precies twee jaar geleden de jongste natiestaat in de wereld werd - Zuid Soedaan -, maar inmiddels is zich daar de zoveelste ramp van de laatste 30-40 jaar aan het voltrekken; nu in de vorm van een Burgeroorlog tussen twee van de belangrijkste stammen in het gebied. Weer ellende voor honderdduizenden, zo niet miljoenen, mensen die toch al zo weinig (geluk) hebben (gekend)...

Een van de meest vergeten plaatsen ter wereld ook, want letterlijk en figuurlijk wel erg ver van ons Westerse bed.
Af en toe zijn er natuurlijk wel zaken die de media halen:

- zo las ik nog niet zolang geleden het beroemde boek van Dave Eggers en Valentino Achak Deng, 'Wat is de Wat'; het geeft een zeer inleefbare versie van het verhaal van 'The Lost Boys' van Soedan - de karavanen van vele tienduizenden jongens die te voet van hot naar haar liepen gedurende jaren -
Een boek dat iedereen die twijfelt aan de noodzaak van hulp voor vluchtelingen, en de opvang van vluchtelingen, ook ineen land als Nederland, zou MOETEN lezen!


De Valentino Achak Deng Foundation, die zich inzet voor een betere toekomst voor Zuid Soedan

- onlangs zond de VPRO de volgende documentaire uit die gaat over voetballen in landen als Soedan en Zuid Soedan:


Update: 'Uit de Oude Doos'; knipsel uit Trouw (2000), dat de zakelijke feiten achter de migratie van 'the Lost Boys' naar de USA weergeeft:

Vierduizend 'lost boys' naar VS

Ilona Eveleens − Trouw, 07/11/00
Een grote groep vluchtelingen uit Soedan begint dezer dagen aan een nieuw bestaan in de VS. Zo eindigt een tocht die twaalf jaar geleden begon en duizenden kinderen te voet door Soedan, Ethiopië en Kenia voerde.

John Awou Alier (17 jaar) zal Kakuma, het vluchtelingenkamp in het hete en dorre noorden van Kenia, niet missen. Hij is opgetogen. Het belangrijkste over zijn toekomstige tehuis weet hij wel, denkt hij: ,,Het is veilig in de VS en iedereen is gelijk. Er zijn goede scholen.'' Misschien, hoopt hij, houden zijn nachtmerries nu op.

Bijna elke nacht droomt John Awou Alier van de voetreis die in 1988 begon. In dat jaar escaleerde de burgeroorlog tussen het islamitisch-Arabische noorden en het christelijk-Afrikaanse zuiden.

Duizenden Zuid-Soedanezen vluchtten naar Ethiopië. Tijdens de tocht raakten veel kinderen, vooral jongens, gescheiden van hun ouders. Ze klitten bij elkaar tot een zelfstandige groep van zo'n 17000 jongeren. De media doopten ze de 'lost boys' (er zaten ook tientallen meisjes in de groep, overigens).

,,Ik vluchtte voor het oorlogsgeweld en ook omdat ik bang was gerekruteerd te worden als soldaat. Ik dacht in Ethiopië veilig te zijn'', vertelt John Awou Alier.

Toen in 1991 het marxistische regime van Mengistu in Ethiopnië ten val werd gebracht, besloten de 'lost boys' naar huis te gaan. In een lange kolonne liepen ze naar de grens met Kenia. De oudere kinderen zorgden voor de kleinsten. Oorlogsgeweld, ziekte, honger, de oversteek van kolkende rivieren en aanvallen van wilde dieren decimeerden de groep tot 12000. In 1992, ruim duizend kilometer verder, werden zij de eerste bewoners van Kakuma. Maar echt veilig voelden ze zich daar niet; het kamp ligt maar honderd kilometer van grens met Soedan. De rebellen van SPLA rontselden soms onder dwang jongeren als strijders. ,,Ik wil niet vechten, ik wil een opleiding. Ik heb meer dan genoeg dood en verderf gezien. Ik kom terug als er vrede is . Dan help ik Soedan op te bouwen'', zegt John Awou Alier.

Van de 12000 jongeren van weleer is eenderde over. Velen hebben hun ouders teruggevonden, anderen pakten de wapens op, de rest verdween 'gewoon'.

VERVOLG OP PAGINA 5

'Als er vrede komt, worden zij onze leiders'

Kenia-VS

VERVOLG VAN PAGINA 1

De belangen van de achterblijvers worden behartigd door de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR). De organisatie besloot tot 'herplaatsing' van de hele groep, omdat er geen toekomst voor hen is in Afrika.

Saber Ezan, vertegenwoordiger van de UNHCR in Kakuma: ,,De jongeren gaan nu nog naar school. Maar wat moeten ze straks? Het einde van de oorlog in Soedan is niet in zicht. In Kenia mogen ze niet werken. Dus zitten ze strak niks te doen in het kamp. De kans is groot dan ze strijders of crimineel worden.''

Ook oudere Soedanese vluchtelingen in Kakuma zijn voor herplaatsing van de 'lost boys'. Joseph Maker is een van de volwassenen die de jongeren begeleidden tijdens hun tocht. Deze 56-jarige wordt 'vader' genoemd door de jongens. Hij is een fervent aanhanger van de rebellenbeweging. ,,Iedereen die tegen de SPLA is, is tegen de vrijheid van onze mensen in Zuid-Soedan. Het is goed dat de jongeren naar de VS gaan. Als er vrede in Zuid-Soedan heerst, kunnen zij onze toekomstige leiders worden.'' Al jarenlang doen hardnekkige geruchten de ronde dat de SPLA de kinderen tijdens hun verblijf in Ethiopië heeft uitgekozen om een goede schoolopleiding te krijgen.

Charles Fillinger is de vertegenwoordiger van de Amerikaanse Immigratie en Naturalisatiedienst (NIS) in Kakuma. ,,De Amerikaanse regering besloot de hele groep op te nemen, omdat deze zo uniek is. De VS zijn genereus met allerlei hulp- en dienstverleningen aan jonge immigranten. Wij hebben ook de beste experts op het gebied van opvang van buitenlanders.''

Maar niet iedereen is alleen maar optimistisch. Een Afrikaanse, vrouwelijke VN-medewerkster in Kakuma: ,,Hier blijven is geen alternatief voor deze jonge mensen. Maar de Amerikaanse maatschappij is keihard. Ik durf niet te garanderen dat de jongeren daar tegenop zijn gewassen.''

De jongeren zelf zien de herplaatsing als een reis naar het beloofde land. Toch is Veronica Nyapen, een van de weinige meisjes in de groep, enigszins onzeker. ,,De andere groepsleden zijn mijn familie. In Soedan is de familieband erg belangrijk. Ik ben bang dat ik me eenzaam ga voelen. We worden verspreid over de VS. Ik hoop maar dat ik vrienden kan maken.''



NrcNext (16-2-2007):

16-02-2007





Weesjongens onder elkaar

MAARTJE SOMERS
In zijn nieuwe boek vertelt Dave Eggers het levensverhaal van een Soedanese vluchteling. Hoe de overbekende ellende een nieuwe sociale én literaire dimensie krijgt.
Zo klinkt Valentino Achak Deng:
‘Ik ben in mijn leven op vele manie- ren geslagen, maar nooit met de loop van een geweer. Ik heb het geluk dat ik vaker heb zien lijden dan dat ik zelf heb geleden, maar toch: ik ben uitgehongerd, ik ben geslagen met stokken, met kabels, met bezems en stenen en speren. Ik heb vijf mijl gereden in de laadbak van vrachtwagen die vol lag met lijken. Ik heb te veel kleine jongens zien sterven in de woestijn, bij sommigen was het alsof ze gingen zitten om te slapen, anderen stierven na dagen van waanzin. Ik heb drie keer gezien hoe jongens werden gegrepen door een leeuw en achteloos werden opgegeten. Ik zag hoe ze van hun voeten werden getild, weg werden gedragen in de kaken van zo’n beest en werden verslonden in het hoge gras, zo dichtbij dat ik de natte, knappende geluiden en het scheuren van hun vlees kon horen. Ik heb een goede vriend van mij zien sterven, naast me in een verongelukte truck, zijn ogen open en zijn blik op mij gericht, zijn leven weglekkend uit een holte die ik niet kon zien. En toch, nu ik uitgestrekt over de bank lig en mijn hand nat is van het bloed, merk ik dat ik Afrika mis. Ik mis Soedan, ik mis de brullende grijze woestijn van noordwest Kenia. Ik mis het gele niets van Ethiopië.’
Zo klinkt Valentino Achak Deng. Of beter: zo klinkt Dave Eggers (1970) in zijn nieuwe roman What is the What, waarin hij zich met Valentino Achak Deng vereenzelvigt. Het boek is het gefictionaliseerde levensverhaal van deze voormalige ‘Lost Boy’, zoals de op drift geraakte kinderen uit de Soedanese burgeroorlog werden genoemd (zie kader). Hij belandde uiteindelijk in Amerika. Eggers heeft Deng langdurig geïnterviewd en is met hem teruggegaan naar Soedan. Het resultaat is een boek met een vertelstem waar je wel naar moet luisteren.
In Eggers’ versie is Dengs Afrikaans-Engels formeel, soms zelfs omslachtig. Het zit vol understatements en beleefdheidsformules, vaak juist als er sprake is van onvoorstelbaar hevige emoties of schokkende gebeurtenissen. Dit hoffelijke, over-volledige boekhouders-Engels maakt het verhaal persoonlijk en authentiek, het is alsof je deze man hoort praten. Tegelijk geeft het een episch karakter aan zijn relaas, zoals in de opsomming van alle manieren waarop de hoofdpersoon is geslagen – een homerische cataloog uit de hedendaagse werkelijkheid van een burgeroorlog.
Praat en denkt Valentino Achak Deng echt zo? Dat kan natuurlijk heel goed, maar na te gaan is het niet – het is onduidelijk hoeveel van deze stem Dave Eggers is en hoeveel Achak Deng. Dave Eggers’ naam staat voorop het boek, de naam van Deng pas op bladzijde drie in de ondertitel The Autobiography of Valentino Achak Deng. A Novel. Hoe het ook zit, de stem waarmee ze samen spreken, heeft in elk geval niets van de morele verontwaardiging, de ingehouden woede over onrecht die een westerling er snel in zou leggen. Dit is de stem van iemand die de wreedheid van het leven als een gegeven ziet, de stem van iemand die geen rechtvaardigheid verwacht.
Totdat hij een jaar of vijf, zes is, heeft Achak Deng – ‘Valentino’ komt er later bij – een gewone jeugd in Marial Bai, een handelsknooppunt in het zuidwesten van Sudan. Achaks vader drijft handel. In zijn winkel vertelt hij op een dag de oorsprongsmythe van het Dinka- volk aan een groepje Arabieren: God gaf de Dinka de keuze tussen de koe of de Wat. De Dinka verkozen de koe boven de onzekerheid van de Wat, waarvan niemand weet wat het is.
De murahaleen, dezelfde soort door Khartoem aangestuurde plunderaars die nu als janjaweed Darfur teisteren, eisen evenwel het vee én de Wat. Op een dag komen ze naar Marial Bai en doden en verbranden alles wat Achak ooit gekend heeft. Achak sluit zich aan bij een groepje jongens onder leiding van de naar schatting 18-jarige Dut. Deng leert hoe hij voortaan moet slapen, altijd middenin de cirkel, altijd waakzaam. Soms wordt hij wakker van eenzaamheid en kou en gevaar, dan blijkt de cirkel zich verplaatst te hebben terwijl hij sliep. De jongens lopen soms in kringetjes rond en zijn een makkelijke prooi voor wilde dieren en rebellen. Het sterven neemt algauw bijbelse proporties aan.
In deze vanzelfsprekendheid – de aanvaarding van de gruwelijke Wat, omdat je van kindsaf nooit anders gewend bent – doet What is the What denken aan Abessijnse kronieken van Moses Isegawa, nog zo’n Bildungsroman voor westerlingen over hoe het is om op een helse plek geboren te worden en op jacht te moeten naar een menswaardig leven. Maar Dengs lankmoedigheid is heel iets anders dan de genadeloosheid waarmee de hoofdpersoon in Isegawa’s boek zich met zijn ellebogen en nagels een weg omhoog klauwde van Oeganda naar de Bijlmer. Valentino Achak Deng is geen vechter, hij is een verteller.
Als het boek begint, wordt Deng overvallen en mishandeld in zijn appartement in Atlanta. Vastgebonden en gekneveld begint hij in gedachten zijn verhaal. Een gruwelijk verhaal is het, en een mediageniek verhaal bovendien: onschuldige, katholieke kinderen, opgejaagd door wilde dieren en kwaadaardige arabieren, en een happy ending in de VS. De Lost Boys in Amerika hebben hun verhalen onderling wat op elkaar afgestemd, staat in het boek, om de pers te geven wat zij verwacht. Complexiteiten als het feit dat veel Lost Boys door het Zuid-Soedanese rebellenleger gerecruteerd werden, kunnen beter achterwege blijven.
En gelijk hebben ze. In de verhouding tussen het rijke en het arme deel van de wereld is een verhaal als dat van een Lost Boy niet neutraal. Het is niet simpelweg de manier waarop de ene mens zijn wederwaardigheden deelt met een ander. Het verhaal is materiaal geworden, handel en soms paspoort. Het juiste verhaal kan het verschil betekenen tussen wél een verblijfsvergunning of niet, tussen een nieuwe toekomst krijgen in Amerika, of je dagen slijten in een overvol vluchtelingenkamp. Het juiste verhaal is het verhaal dat de autoriteiten willen horen, dat media willen publiceren en dat het publiek wil lezen. Het is het verhaal dat we hier kunnen begrijpen, een verhaal met daders en slachtoffers, niet al te complex, met een verteller die geen blaam treft.
Zo’n verhaal is What is the What zeker. Alleen: het is niets voor Dave Eggers zich hiervan niet bewust te zijn. Deze schrijver heeft immers zo ongeveer het patent op overbewustzijn. Hij was degene die in het eerste gedeelte van A Heartbreaking Work of Staggering Genius (2000), het boek over de dood van zijn beide ouders en de zorg voor zijn kleine broertje Toph, recensenten in de introductie alvast alle thema’s en motieven uitlegde. Hij was de schrijver die zich in het naschrift ‘Mistakes We Knew We Were Making’ verloor in een verhandeling over welke zinnen uit A Heartbreaking Work verzonnen waren en welke echt. Hij was degene die lezers vroeg; ‘please, trust the motives and hearts of your makers of things.’ Het is iemand die cynici en hokjesdenkers als het ware de toegang tot zijn werk ontzegt.
Eggers is daarnaast iemand voor wie literatuur, journalistiek en community art in elkaar overlopen. Behalve uitgever en oprichter van de tijdschriften McSweeney’s en The Believer, is hij de oprichter van een educatief centrum dat kansarme jongeren met literatuur in contact brengt; hij geeft er ook les. Twee jaar geleden zette hij Voice of Witness op, een serie boeken waarin getuigen van maatschappelijke gebeurtenissen aan het woord komen, in de vorm van lange monologen, door studenten journalistiek geschreven op basis van interviews met de betrokkenen. Er verschenen al boeken met getuigenissen van de slachtoffers van orkaan Katrina, en van ten onrechte veroordeelde gevangenen. Geen journalistiek, eerder een soort contemporaine orale geschiedschrijving.
Het lijkt alsof Eggers zo bezig is om via de traagheid en diepgravendheid van het medium boek de journalistieke en politieke handel in slachtofferverhalen te omzeilen. Het is alsof hij de ruis wil uitschakelen en weer terugwil naar waar het begon: de mens die een wezenlijke ervaring wil delen met een ander. Voor What is the What investeerde Eggers vier jaar in het leven van Deng. Het boek is behalve een ‘Voice of Witness’ ook het verhaal van de ene wees, verteld aan de andere. Lost Boys onder elkaar.
Natuurlijk, Valentino Achak Deng is een schuldloos goed slachtoffer van het anonieme kwaad van ramp, oorlog en overheid, zoals de anderen uit de Voice of Witness-serie dat zijn; er zit geen morele ambiguïteit in zijn verhaal. Anderzijds geeft zijn relaas, waarin Eggers grote stukken Soedanese geschiedenis verwerkt, reliëf aan het type onoverzichtelijke oorlog dat Afrika deze decennia teistert: onder het mom van etnische of raciale tegenstellingen worden conflicten om land en grondstoffen uitgevochten via het terroriseren van de burgerbevolking. Het toont ook het scala van ontheemding dat deze geglobaliseerde wereld kenmerkt; van het stoffige, permanente transit van een vluchtelingenkamp tot de anonimiteit van een huurappartement in Atlanta. Een wereld waarin mensen elkaars geschiedenis niet kennen.
Af en toe glimpt er overigens wel vertwijfeling en opstandigheid door dat formele Engels. Maar Deng is een lid van het Dinka-volk tenslotte, geen Amerikaan die opgroeide in een cultuur van emotioneel exhibitionisme. Dit is niet iemand die het achterste van zijn tong laat zien. Het draait in What is the Whatdan ook meer om Dengs lotgevallen dan om zijn innerlijk.
Dat is één van de redenen waarom je dit boek heel goed een epos kunt noemen, een woord dat, toegegeven, in recensies vaak nogal lukraak wordt gebruikt voor boeken van meer dan driehonderd pagina’s. Maar hier past het nu eens echt, omdat Eggers op homerische wijze een chaotische hel als die bij de rivier de Gilo kan overzien, een Guernica in Ethiopië, waar een meedogenloze slachtpartij wordt aangericht onder de weerlozen in een Soedanees vluchtelingenkamp. En omdat de hindernissen die vluchtelingen nemen in hun zoektocht naar een menswaardig bestaan, in ons deel van de wereld zo onvoorstelbaar zijn, dat ze als vanzelf epische trekken krijgen.
Tegen de tijd dat we Valentino’s verhaal verwerkt hebben, is hij losgemaakt door zijn kamergenoot en naar het ziekenhuis gebracht, waar hij zijn relaas op dezelfde manier, in zijn gedachten, heeft verteld aan een verpleger, tijdens het lange wachten op een hersenscan. Het laatste deel horen we terwijl Valentino aan de receptie zit van de fitnessclub waar hij werkt. In gedachten praat hij tegen de foto’s van de klanten, die op het beeldscherm van zijn computer verschijnen als hij hun toegangspas erdoor haalt. De klanten weten van niets, ze gaan hun gewone gang, maar Valentino vertelt verder. ‘Ik zal verhalen vertellen aan wie wil luisteren en aan wie niet wil luisteren, aan mensen die me opzoeken en aan wie van me wegloopt’, besluit hij. ‘How can I pretend that you do not exist? It would be almost as impossible as you pretending that I do not exist.’
Dit is Eggers in een notendop. Niet gehoord worden is de uitgekauwde frase voor de talloze oorlogsverhalen die we dagelijks op ons afgevuurd krijgen, waar we machteloos tegenover staan en die ons alleen daarom al niet lijken te raken. Even naïef als krachtig weet Eggers je zo’n formule opnieuw betekenis te geven. Vastgebonden, wachtend, genegeerd – in de loop van het verhaal dat Valentino vertelt, of beter, verzwijgt, worden die versies van stilstand symbolen van het vluchtelingen-limbo, een onderwereld waarin migranten rondwaren als schimmen.
Het migratiethema is zo oud als de wereldliteratuur, maar een ouderwets epos is What is the What niet. Het is juist erg up-to-date, één van die moderne mengsels van fictie en non-fictie die de emotionele waarheid van een geschiedenis willen overbrengen. Je kunt het zelfs hip noemen, typerend voor een generatie die engagement verknoopt met de goede zaken des levens. Het is lokaal en mondiaal, literair en humanitair. Praktisch idealisme in de vorm van vijfhonderd pagina’s wezenlijke aandacht voor het lot van een ander.
‘True of heart’ was het motto van A Heartbreaking Work of Staggering Genius. Het gaat ook op voor What is the What. Hier vertelt een man alsof zijn leven ervan afhangt, omdat zijn leven ervan afhangt.
'Lost Boys'
.Valentino Achak Deng was een van de ‘Lost Boys’, de vermoedelijk zeventienduizend ontheemde Soedanese kinderen die tijdens de burgeroorlog van het islamitische noorden tegen het christelijk/animistische zuiden (1983-2005) uit hun dorpen werden verdreven; ze doorkruisten soms jaren Zuid-Soedan voordat ze een vluchtelingenkamp bereikten. 
.Deng komt met duizenden anderen Soedanezen terecht in Ethiopië, in een kamp aan de rivier de Gilo. Als er in 1991 ook oorlog uitbreekt tussen Ethiopië en Eritrea worden de vluchtelingen met geweld de rivier in gedreven. Een nieuwe zwerftocht volgt. 
.Uiteindelijk komt Deng terecht in het uitgestrekte stoflandschap van Noordwest Kenia, waar het Kakuma vluchtelingen kamp onstaat. 
.Dit kamp groeit uit tot één van de meest permanente vluchtelingenkampen ter wereld. Het herbergt zo'n 86.000 ontheemden uit negen landen. Deng blijft er tien jaar.
.Vooral Amerikaanse kerken trokken zich het lot van de Lost Boys aan. Uiteindelijk werden vierduizend Lost Boys, onder wie Deng, door de VS opgenomen.
Dave Eggers: What is the What. The Autobiography of Valentino Achak Deng. A Novel McSweeney’s, 475 blz. euro 23,– Vertaald door Gerda Baardman en Wim Scherpenisse als Wat is de Wat. Autobiografie van Valentino Achak Deng. Rothschild & Bach, 532 blz. euro 22,95
Valentino Achak Deng heeft inmiddels een eigen website: www.valentinoachakdeng.com . 
Meer over Dave Eggers op www.mcsweeneys.net/






GEPUBLICEERD IN: 







KUNST & FILM






"

maandag 15 december 2014

Denken over Sport: 'Op naar de Schaats (minstens) Zevenkamp'!

Aan het einde van het vorige schaatsseizoen schreef ik onderstaand(e) brief/voorstel naar KNSB, enkele 'Cracks' - waaronder mijn favoriete sportman Erben Wennemars -, en wat sportredacties van kranten. Ik heb er weinig reactie erop gehad. Maar de discussie gaat door...,
...en ik kan me niet herinneren ooit zo weinig mensen op de tribunes van Thialf te hebben gezien - bij belangrijke Internationale wedstrijden - als dit weekend.

Eerst nog eens mijn oplossingrichting, daaronder het artikel dat NRC afgelopen zaterdag schreef.

Huidige All-Round-discipline Schaatsen is helemaal niet all-round!

We hebben de lente al haast achter de rug, maar nu pas is het (lange) schaatsseizoen eindelijk achter de rug. Lang niet alle topschaatsers hebben het seizoen ook echt tot het eind volbracht, (bijna) alleen echte broodschaatsers en jonge honden die edelmetaal roken vonden de kracht om ook ver in maart nog eens volle bak te gaan.

In stadion Thialf zaten nog zat knettergekke schaatsfans, maar of ook de Nederlandse Televisie-kijkers nog voor hoge scores zorgden waag ik te betwijfelen, en dat er in al het schaats-buitenland bijna niemand meer enige interesse had voor het WK All-Round lijkt mij welhaast zeker.

De roep om veranderingen in de antieke vorm waarin het Lange-baan Schaatsen is gegoten lijkt wel haast groter en sterker dan ooit. En schoorvoetend lijken KNSB en ISU daar ook wel de noodzaak van in te zien.

Een paar tips van een (ooit) simpele Natuurijsschaatser, die zelf buiten 'een Kruisje' slechts kleinere prestaties leverde op de schaats, maar zichzelf nog wel steeds ziet als 'schaatser' en de sport een goed hart toedraagt.

Nederland is het enige land met een fatsoenlijk aantal All-Rounders; hier is zoveel concurrentie dat ster Sven Kramer dit jaar niet een All-Round-titel binnenhaalde. En daar zat hij niet eens echt mee, dat geeft de betrekkelijke waarde van dit onderdeel van de schaatssport eigenlijk veelzeggend aan...

Ik ving dit seizoen dan ook ideeën op om dan maar over te stappen naar 'de Kleine Vierkamp' op een of meer grote Internationale Kampioenschappen. Een wonderlijke gedachte; welke zichzelf respecterende sport denkt dat ze er beter van zou worden door zichzelf uit te kleden? Een levende sport groeit, ontwikkelt zich, en bouwt uit!

Daarom zomaar wat gedachten van deze schaatsliefhebber, die ook lang niet meer alles live uitzit voor de TV.

Ga van een Vierkamp naar (minimaal) een Zevenkamp voor All-Rounders op minimaal EK en WK, en voeg dit element ook toe aan de Olympische Spelen.

Mogelijke extra onderdelen voor de All-Round:
-100 meter sprint
-1.000 meter
-een Marathon met Massastart

Nog verdere uitbreiding naar misschien wel zelfs een heuse Tienkamp is dan denkbaar in het toevoegen van:
-Short Track onderdelen op nieuw aan te leggen korte baantjes op het middenterrien van de traditionele 400-meter-banen, die daardoor weer multi-functioneler worden en daarmee beter te exploiteren, en/of
-Achtervolgingen, en/of
-Afvalraces

Wellicht kunnen echte schaats-insiders, door bordurend in deze denkrichting, nog wel enkele (betere) elementen bedenken voor enkele van bovenstaande opties. Daarmee wens ik hen veel succes.

Vanzelfsprekend dient zo'n nieuwe Meerkamp zich ook over meer dagen te verdelen, tenzij men er een echte uitputtingsslag van zou willen maken , zoals in de Atletiek natuurlijk wel gebeurt.
Naast de uitbreiding van de Individuele Schaatsonderdelen, de Maraton als op zichzelf staand nummer zou natuurlijk ook aan het Internationale programma dienen te worden toegevoegd, en ook 'echt Internationale' Natuurijs-onderdelen zouden op Winterspelen niet misstaan, zou dan ook het aantal Team-onderdelen wat verder uitgebreid kunnen/moeten worden.

Het zijn maar wat gedachten, ik hoop dat de schaatswereld er wat aan heeft.
Maar dat er niet 'iets', maar flink wat moet gebeuren lijkt mij overduidelijk!

Aart Dekker,
denker over sport,
Den Haag



Maurits Hendriks gaat voor veel medailles; hoe lang nog?


NRC, 13 december 2014:
Is dit nog spannend?

Schaatsen De toekomst van het schaatsen ligt meer open dan ooit. Er bestaan zorgen over de spanning en de populariteit, maar er zijn ook tal van initiatieven. Wat willen de buitenlandse topschaatsers?
Door onze redacteuren Maarten Scholten en en Rob Schoof | pagina 34 - 35
Op een bankje naast het ijs, na zomaar een ochtendtraining in Thialf, vat Shani Davis de toestand in het internationale langebaanschaatsen kernachtig samen. „Jullie in Nederland hebben alles, wij hebben niets.” De tweevoudig olympisch kampioen is pessimistisch over de toekomst van zijn sport. „Ik zie het schaatsen het op deze manier geen tien jaar meer volhouden.”
In Nederland is de afgelopen jaren volop discussie ontstaan over vernieuwing van het langebaanschaatsen. Maar wat vinden de buitenlanders eigenlijk? Naast Davis vinden ook meervoudig olympisch, Europees en wereldkampioene Martina Sáblíková, de Belgische allrounder Bart Swings en de Poolse olympisch kampioen Zbigniew Brodka dat veranderingen hard nodig zijn om de toekomst van de sport veilig te stellen.

1 Vijf kilometer (vrouwen) en tien kilometer (mannen) afschaffen?
Brodka: „Onmiddellijk afschaffen. Voor het publiek is het niet interessant, het duurt veel te lang. Je ziet het in meer sporten. De trend is korter, niet langer.”
Davis: „Het niveau in de wereld is lang niet zo hoog als in Nederland. Er is internationaal geen traditie meer over. De schaatsers willen het werk niet meer doen dat nodig is om met de Nederlanders te kunnen strijden. De tien is cool, maar de beste dagen ervan zijn voorbij. Het sterft langzaam uit.”
Sáblíková: „Ik houd van de vijf kilometer, en trouwens ook van de tien kilometer bij de mannen. Mensen mogen zeggen dat het saai is. Maar je ziet ook mooie gevechten. En in de atletiek schaf je toch ook de marathon niet af? Je hebt sprint, middenafstand, lange afstand. Dat is in schaatsen precies hetzelfde.”
Swings: „Wij als buitenlanders rijden twee tien kilometers per seizoen, in de wereldbeker en op de WK afstanden. Tenzij je het als allrounder goed doet. Maar voor die twee races ga je niet in de zomer elke dag drie uur op de fiets zitten. Dat doen buitenlanders niet. Toch mag de tien niet verdwijnen. Het is een te mooie afstand, met veel historie. Ik rijd hem graag.”

2 Allroundtoernooien zonder vijf (vrouwen) en tien kilometer (mannen)?
Davis: „Hadden ze dat maar tien jaar geleden gedaan. Elke allroundcompetitie zonder tien kilometer is spannender. Maar als je het echt goed bekijkt, zie je dat de beste tijd voor het allrounden sowieso voorbij is. De jaren dat Chad Hedrick en ik streden, met Enrico Fabris, een paar Noren, Carl Verheijen, de jonge Sven in opkomst. Zelfs Erben deed mee. Those were the days voor het allrounden. Maar helaas, het is niet meer. Dat geldt een beetje voor schaatsen in het algemeen. Het wordt vlakker, minder spannend.”
Sáblíková: „Als je de vijf kilometer bij de vrouwen vervangt door een duizend meter mag je het geen allrounden meer noemen. Dan is het alleen nog maar voor sprinters, wie goed is op de lange afstanden heeft er niets meer te zoeken. Als dit doorgaat doe ik vanaf volgend jaar niet meer mee aan de EK allround.”
Swings: „Verandering is mogelijk voor EK en WK allround. Maar ik ben niet blij met de duizend meter in plaats van de tien kilometer. Dan wordt het een enorm kleine vierkamp, bijna een tweede WK sprint. Dan moet je als sprinter alleen de vijf kilometer overleven. Voor mij is dat natuurlijk geen goede zaak. Vervang de tien dan liever door de drie kilometer.”

3 Nieuwe onderdelen toevoegen, zoals de massastart?
Swings: „Ik vind het supergaaf. Er komen shorttrackers op af, marathonschaatsers. De mensen die mij volgen vinden dit onderdeel het leukst. Het is een beetje als wielrennen op het ijs: het spelletje dat ik ook vanuit het skeeleren ken. Elke wereldbeker doen er meer rijders aan mee. Als het de olympische status krijgt kan het heel interessant worden.”
Brodka: „Nieuwe onderdelen kunnen interessant zijn, ook de massastart. Maar de regels moeten eerst duidelijk worden uitgewerkt. Over beschermende kleding, het gebruik van de inrijbaan, over de lengte van de race en het aantal deelnemers. Anders is het te gevaarlijk.”
Davis: „De massastart is cool om naar te kijken. Maar ik ben bang dat op een dag iemand serieus gewond gaat raken. Te veel schaatsers in de baan, scherpe ijzers, roekeloos rijden. Zeker als het om een wereldtitel gaat of om olympisch goud. Het is een wonder dat er nog nooit ernstige ongelukken zijn gebeurd.”

4 ‘Wereldschaatsspelen’, met kunstrijden, shorttrack en langebaan?
Brodka: „Goed idee, het zou helpen voor de promotie van het langebaanschaatsen buiten Nederland. Landen met een traditie in het kunstrijden of shorttrack komen in contact met de langebaan. En schaatsers uit de verschillende disciplines kunnen ideeën uitwisselen.”
Swings: „Dat zou een mooi evenement kunnen worden. Je krijgt ook veel meer aandacht van de media, denk ik. Maar ook voor de atleten zelf lijkt me dit cool. Een nieuwe omgeving, nieuwe prikkels.”
Sáblíková: „Een idee van Ard Schenk? Ik houd van nieuwe ideeën, en helemaal als het komt van iemand vanuit onze sport die zich er nog altijd nauw bij betrokken voelt. Dit moeten we doen. Dan kijken we vanzelf wel of het werkt.”

5 Icederby, voor veel geld schaatsen in Dubai op een baan van 220 meter?
Davis: „Dat biedt een geweldige kans. Het geeft de sport een nieuw podium op wereldniveau en er valt voor schaatsers veel geld te verdienen. Doen! Ik ben het niet eens met de ISU [internationale schaatsbond] dat ze dit verbieden. Het kan de groei en ontwikkeling van het schaatsen juist helpen, zeker internationaal. Er zijn zoveel niet-Nederlandse schaatsers die nauwelijks van de sport kunnen leven. De besten redden het net met wat prijzengeld. Maar in de tijd dat ik bijna elke wedstrijd won, verdiende ik in totaal per jaar wat ik bij Icederby in een week bij elkaar kan rijden.”
Sáblíková: „Het is meer show dan afzien, en we kunnen big money verdienen. Schaatsen is het hele jaar door ons beroep. Met Icederby kunnen we daar de vruchten van plukken. De ISU verbiedt het, maar dat snap ik niet. De bestaande competities komen niet in gevaar.”
Swings: „Ik zou het zeker willen proberen als we mee mogen doen van de ISU. Het lijkt me leuk om tussendoor te doen. Maar ik ben begonnen met schaatsen voor de Olympische Spelen, dus dat ga ik niet aan de kant zetten voor Icederby.”

6 Andere ideeën voor een gezonde toekomst van het schaatsen?
Davis: „In de rest van de wereld zie je best talentvolle schaatsers, maar niemand brengt het tot het hoge niveau als in Nederland. Alleen daar is geld. In de ideale wereld zou je een internationaal steunpunt oprichten in Calgary, in Inzell, in Seoul of Nagano. Dan heb je een basis om gelijke competitie te creëren. Maar dat komt niet van de grond. Er is te veel isolatie. Zonde.”
Swings: „In de set-up zou je wat kunnen veranderen. Bijvoorbeeld starten met commerciële ploegen in de wereldbekers. Dat maakt het veel interessanter voor sponsors. Wij proberen het nu met Stressless [internationale ploeg van coach Bart Veldkamp]. Met België hebben we vorig jaar mooie ploegachtervolgingen gereden, maar als je buitenlandse toppers bij elkaar kan zetten, gaat Nederland niet meer elke keer zo makkelijk winnen. Het zou zich dan ook internationaal meer ontwikkelen, omdat het voor een sponsor belangrijk is om vier goede rijders bij elkaar te krijgen. Dan kan de sport verder groeien.”

dinsdag 29 juli 2014

Scheve Verhoudingen in de Nederlandse Sport; weinig Media-/TV-aandacht voor de Zaalsporten

Voor zover er iets als 'komkommertijd' bestaat in de mondiale sport, breekt die na aankomend weekend - met het einde van de Tour de France - in Nederland wel aan. Wat betreft reguliere programmering is dat bij de NPO al zowat twee maanden het geval, en ook kranten en tijdschriften zijn allang een tandje teruggeschakeld. Natuurlijk zijn de clubvoetballers allang weer bezig, FC Groningen is zelfs al uitgeschakeld voor de Europese Bekers 2014-2015, en landelijk zal het niet lang meer duren voordat Studio Sport het over weinig anders meer zal hebben, zo'n tien lange maanden lang... En dat is natuurlijk moeilijk te verteren voor aanhangers van andere sporten die wat aandacht van Studio Sport (en andere Nederlandse TV-zendgerechtigden) tekort komen...

Als het om het Nederlandse Basketball heb word ik vaak voor gek versleten, maar ik zeg er altijd bij dat de hele verhoudingen Zaal- vs. Veld-sporten scheef is, wat betreft TV-aandacht, maar zeker ook wat betref de financieele steun, dan wel het kosten batenplaatje voor de beoefenaren van die twee categorieën sporten.

Nu besteedt eindelijk eens een serieuze krant hier aandacht aan; NRC, zie hieronder. Ik zoi alleen weleens een toelichting bij de ledenaantallen horen, want die snap ik niet allemaal...



In de sporthal zie je zelden een tv-camera

Achtergrond Veel zaalsporten hebben het zwaar. Sponsors kan weinig geboden worden en zonder eigen accommodatie is de binding gering. Handbal ontvlucht de malaise dankzij de competitie met Belgische clubs.

NRC/Sport, 19 juli 2014 | pagina 26 - 27, Door onze redacteur Henk Stouwdam

Heb meelij met de zaalsporters. Die zijn er steeds minder, spelen op een steeds lager niveau voor steeds minder toeschouwers en verdienen steeds minder geld. Maar het zelfbeklag neemt af. Defaitisme maakt steeds meer plaats voor realisme met een vleugje optimisme.
Natuurlijk is de aloude klaagzang nog niet verstomd. NOS Studio Sport blijft een gebeten hond vanwege de geringe airplay voor zaalsporten. Terugkerende klacht: hoe kun je sponsors werven zonder televisiezendtijd? Met als onderliggende frustratie: altijd maar dat voetbal, schaatsen of wielrennen. In een sporthal zie je zelden een camera.

Maar, er klinken tegengeluiden. Van Redbad Strikwerda bijvoorbeeld. De volleybalcoach van de Zwolse landskampioen Landstede: „Ik ben positief over de Nederlandse eredivisie. Daaruit komen altijd weer interessante spelers voort.” Strikwerda zou willen dat de volleybalbond Nevobo afstapt van het centrale opleidingssysteem op het nationale sportcentrum Papendal en de eredivisie weer omarmt. Ferm: „Dat is onze kraamkamer.”

Nadat Henk Reekers zijn hart heeft gelucht over afnemende media-aandacht voor basketbal, omarmt ook hij de werkelijkheid. De voorzitter van de Federatie Eredivisie Basketbalclubs (FEB) – verantwoordelijk voor organisatie van de eredivisie – vindt dat clubs bereid moeten zijn hun ambitieniveau bij te stellen. „Waarom zou een club zich terugtrekken uit de eredivisie als een begroting voor een selectie met minimaal twee Amerikanen – wat als norm wordt gezien – onhaalbaar is? Doelstelling aanpassen, zou ik zeggen. Met minder geld kunnen de resultaten meevallen. In economisch zware tijden moet ook de concurrentie een stap terugdoen.”


Strikwerda en Reekers hebben de pech dat zij actief zijn in sporten met opstekende tegenwind. Het sociaal-wetenschappelijk sportonderzoeksbureau Mulier Instituut heeft uitgevogeld, dat zaalsporten zonder een eigen accommodatie steeds meer verpieteren. Sponsors kan weinig geboden worden, er is nauwelijks of geen baromzet en er is amper gelegenheid aan verenigingsbinding te doen. Bij sporten met een eigen accommodatie, zoals voetbal en hockey, zie je een tegengestelde ontwikkeling.

Een paar cijfers van het Mulier Insituut: teamsporten zonder een eigen accommodatie (volleybal, handbal, basketbal) hebben minder vaak een eigen kantine (22% versus 97%) dan teamsporten met een eigen accommodatie (voetbal en hockey). Ze hebben ook meer moeite (36% versus 19%) nieuwe leden te werven , hebben minder vaak (50% versus 69%) een langetermijnvisie op papier en zien de toekomst (38% versus 59%) minder zonnig tegemoet. Het is geen wonder, concludeert het Mulier Insituut, dat het die verenigingen in een toenemende competitieve markt minder goed vergaat.

De handballers wachten niet af en beginnen, heel anticyclisch, vanaf komend seizoen bij de mannen een nieuwe competitie: de BeNe Liga, een samensmelting van de vier sterkste Nederlandse met de vier sterkste Belgische clubs. Het grensoverschrijdende plan heeft zeven jaar in de week gelegen, maar is nu pas geformaliseerd. De topclubs speelden naast de reguliere competitie al die jaren in de BeNe Liga en zijn blij dat het Nederlands Handbal Verbond (NHV) de proefperiode eindelijk heeft afgerond.
De vier Nederlandse topclubs Bevo, Aalsmeer, Limburg Lions en Volendam voelen zich eindelijk verlost van de ongelijke potjes tegen lagere clubs. Want het niveauverschil in de eredivisie was groot. Het wordt vanaf volgend seizoen elke wedstrijd knokken tegen gelijkwaardige of beter Belgische tegenstanders. Om als toetje na de competitie met de twee sterkste clubs in de Nederlandse eredivisie de play-offs om de nationale titel te spelen.

Het volleybaldier Strikwerda is best een beetje jaloers op de handballers. Een zestal jaren teug is ooit in het volleybal gepoogd een lagelandencompetitie van de grond te tillen, maar tot Strikwerda’s ongenoegen is dat initiatief nooit doorgezet. Treurend: „Nu is er in België geen belangstelling meer. Vind je het gek, de nummer vijf van België krijgt meer tegenstand in de eigen competitie.”

Aan de klaagzang dat jonge Nederlandse volleyballers te snel de stap naar het buitenland maken, doet Strikwerda niet mee. „Als spelers uitgedaagd willen worden op een hoger niveau, moeten ze gaan. Dan maakt de leeftijd niet uit. Ik heb bijna al die spelers zien doorstromen naar het nationale team. Vaak met een tussenstap in België of Duitsland, maar toch. Dat moet de Nevobo te denken geven. Wat heeft het talentteam onder leiding van Ron Zwerver de laatste jaren gepresteerd? Niets, want ze hebben zich voor niet één groot jeugdtoernooi gekwalificeerd. Het wordt tijd dat de Nevobo die situatie onder ogen ziet en met de eredivisieclubs om tafel gaat zitten. De eredivisie moet eindelijk eens belangrijk worden gemaakt.”

Een eerste stap heeft de Nevobo al gezet door voor komend seizoen het talentteam tot de eredivisie toe te laten. Bondsdirecteur Joëlle Staps vertelt dat elk jaar circa vier spelers uit dat team moeten doorstromen naar een eredivisieclub en de verplichting krijgen daar minimaal twee jaar te blijven. Daarvoor moeten zij een zogeheten opleidingsbeding tekenen, met als doel vroegtijdige uitstroom naar het buitenland te voorkomen. Staps: „Dat wordt onze kurk op de eredivisie. Het past in ons opleidingsplan talenten in een beschermde omgeving te leren presteren.”

De basketballers hebben voor komend seizoen ander problemen. De FEB heeft de deadline voor licenties verlengd om clubs die de begroting niet rond hebben een beetje lucht te geven. Voorzitter Reekers vertelt dat met name Wijchen en Amsterdam hun zaakjes nog niet op orde hebben. Hij wil voorkomen dat die clubs dezelfde weg als het verdwenen Bergen op Zoom en Rotterdam volgen. Reekers wil graag vasthouden aan tien eredivisieclubs.

De inschrijving van Groningen is zeker, ook al heeft de landskampioen het afgelopen speeljaar met een tekort van 135.000 euro afgesloten. Geen bewijs van verantwoord besturen van een club die bij thuiswedstrijden goed is voor ruim 4.000 toeschouwers, veruit de grootste Nederlandse supportersschare. De krappe financiële situatie dwingt Groningen vrijwel zeker tot bijstelling van een sportieve ambities.

Terugtrekken uit de competitie is een vergaande, emotionele stap, omdat er banen in het geding zijn. Vraag het de volleybalclub Reflex uit Kampen, dat zich onlangs terugtrok uit de eredivisie. Zware inspanningen ten spijt is het niet gelukt de selectie op peil te houden, vertelt Theo van der Maten van de technische commissie. „Eer vertrok een drietal. Maar opvolger waren niet te vinden. Van de acht die aanvankelijk zouden blijven, kozen er zes voor een andere club. Toen was het gedaan. Wij hebben niet de financiële middelen die topclubs wel hebben. Dan kun je geen spelers binden. En aanvulling vanuit onze jeugd is er niet. Steeds minder jongens gaan volleyballen, is onze ervaring. Een groeiend volleybalprobleem .”

En dan te bedenken dat zaalsporters al voor een habbekrats spelen. Waar basketballers nog iets verdienen bij clubs met een begroting tot drie ton, spelen de meeste volleyballers voor het minimumloon.

Hockey Veel jeugd
Verschil in ledental tussen senioren en junioren bij teamsporten in 2012:

Basketbal
Junioren: 29.076
Senioren: 23.418

Handbal:
Junioren: 29.741
Senioren: 23.523

Volleybal:
Junioren: 53.845
Senioren: 62.685

Korfbal:
Junioren: 47.442
Senioren: 48.419

IJshockey:
Junioren: 1.667
Senioren: 4.070

Voetbal:
Junioren: 601.068
Senioren: 608.345

Hockey:
Junioren: 158.701
Senioren: 74.232