Lees ook deze NRC-recensie van Pieter Waterdrinkers roman
Tsjaikovskistraat 40
Interview
Journalist
Pieter Waterdrinker verliet Rusland na 26 jaar: ‘Mijn brieven, mijn
foto’s, mijn pensioen: misschien ben ik alles kwijt’
Pieter Waterdrinker |
Schrijver Schrijver en journalist Pieter Waterdrinker en zijn vrouw
keken naar Poetin en hoorden Stalin. Ze verlieten Rusland zo snel ze
konden. „Europa wordt nooit meer hetzelfde, hoe dit ook afloopt.”
Pieter Waterdrinker (60), schrijver en tot voor kort
Rusland-correspondent voor De Telegraaf en Vrij
Nederland, zat met zijn vrouw Julia naar Poetin te luisteren, op
de bank in hun Sint-Petersburgse tweekamerappartement, bekend van
zijn bestseller Tsjaikovskistraat 40, en met de minuut nam
hun verbijstering toe. Ze hoorden Stalin praten. Geen Poetin meer.
Stalin. Later zou Poetin praten over tegenstanders die als vliegen
moeten worden uitgespuwd. Deze maandagavond 21 februari, drie dagen
voor de oorlog, kafferde hij het hoofd van de inlichtingendienst uit
omdat die de verkeerde mening leek te hebben en kleineerde hem toen
die van de zenuwen begon te hakkelen – „praat duidelijk.” „Die
avond”, zegt Pieter Waterdrinker, „besloot Julia dat ze wegging,
terug naar Frankrijk.”
Want daar hebben jullie ook een huis.
„Het huis van mijn broer, in de Tarn, bij Toulouse. Het staat
ons onbeperkt ter beschikking.”
Waar was Julia bang voor?
„Dat ze, als ze ook maar een dag langer bleef, het land niet
meer uit zou kunnen. Ze heeft al dertig jaar een Nederlands paspoort,
maar haar Russische paspoort heeft ze ook nog, en altijd is er de
angst dat op een dag de grenzen dichtgaan en er tegen haar wordt
gezegd: jij bent een Russin en jij blijft hier. De volgende dag is ze
op het vliegtuig gestapt, met een van de poezen.”
Jij wilde niet weg?
„De vluchten waren overloaded. Op donderdagochtend, ik
lag nog in bed, zag ik dat de Russen Oekraïne waren binnengevallen.
Ik belde Julia, ze was net aangekomen, en ze begon zo te gillen dat
ze haar telefoon liet vallen. Daarna ben ik meteen van alles gaan
regelen, praktische zaken, gas en licht betalen voor de komende
maanden – dat moet daar cash, op een kantoortje – en vrijdag ben
ik met onze andere poes naar Amsterdam gegaan. Onderweg dacht ik: dit
zou weleens mijn laatste kans kunnen zijn geweest. Ik heb zoveel
oorlogen verslagen – Afghanistan, Tsjetsjenië, Georgië, de Krim,
Donbas – dat ik wist: dit gaat helemaal fout. Het vliegveld in
Sint-Petersburg was verlaten. Er lag een deken van angst overheen. De
volgende dag zijn er nog twee vliegtuigen van Schiphol naar Rusland
vertrokken, en die zijn allebei halverwege omgedraaid. Sinds 25
februari is Rusland grotendeels dicht en ons leven zoals het was is
voorbij.”
In het begin van de coronatijd zaten jullie vijf maanden vast in
Sint-Petersburg.
„Daar schrijf ik over in mijn nieuwe roman, ja.” Die heet
Biecht aan mijn vrouw en is deze week verschenen. „Julia
zegt nu: wat een gezellige tijd was dat achteraf. We konden het land
niet uit en het was in Rusland veel erger dan hier in Nederland, de
ziekenhuizen waren barstensvol, de lijken stapelden zich op, net als
in het noorden van Italië, waar Ilja Pfeijffer dagelijks over
schreef in NRC, maar het was geen oorlog. Al werd er wel
over gepraat alsof het een oorlog was. Zeker in het Westen gebeurde
dat.”
Ik heb neefjes van 9
en 12, opgevoed met praten in de kring, en straks wordt de
dienstplicht weer ingevoerd
Je vrouw moest in die tijd met hoge koorts worden opgenomen in een
noodhospitaal.
„In een tentoonstellingsgebouw op het Vasiliuseiland in de Neva,
waarover de gruwelijkste verhalen de ronde deden. Het voorgeborchte
van de hel. De mensen stierven er als vliegen. Eerstejaarsstudenten
geneeskunde werden ingezet als artsen. Voor driehonderd euro vond ik
iemand bereid om daar een telefoon naar binnen te smokkelen en
uiteindelijk kreeg ik Julia aan de lijn. Ze was niet besmet. Maar ze
mocht ook niet naar huis, dat was het protocol. Met nog meer geld heb
ik haar kunnen bevrijden en toen ze na vijf dagen met de taxi
thuiskwam wilde ze onmiddellijk weg uit Rusland.”
Met de poezen.
„Met de poezen, ja, haha. Die gaan altijd mee. Toen waren het er
nog drie.” Hij kijkt naar buiten – we zitten in restaurant de
Plantage in Amsterdam – en stelt vast dat het Hitlerweer is.
Helder, zonnig, perfect voor een aanval uit de lucht. „Het is zo
krankzinnig allemaal. In Tsjaikovskistraat 40 schrijf ik
over de mensen die sinds de revolutie van 1917 in dat huis gewoond
hebben, wie er moesten vluchten, wie in kampen verdwenen of werden
gedood, en nu ben ik zelf ook gevlucht. De geschiedenis herhaalt zich
niet, de geschiedenis rijmt, woorden van Mark Twain. Het Kremlin
heeft een oekaze uitgevaardigd waarmee mijn appartement
geconfisqueerd kan worden en het is de vraag of ik ooit nog terug
kan.” Hij zucht. „Mensen als vliegen uitspuwen, dat soort woorden
zijn een vrijbrief voor de toch al overal aanwezige en nietsontziende
geheime diensten om va-banque te gaan, de terreur zal verschrikkelijk
worden. Ik ben weg uit mijn huis, mijn wasgoed zit nog in de trommel,
en mijn boeken, mijn brieven, mijn bibelots, mijn foto’s, mijn
leven, mijn pensioen ook, want dat zit in mijn huis – misschien ben
ik alles wel kwijt.”
In Tsjaikovskistraat 40 en eerder al in Poubelle schrijf je over
de mogelijkheid van deze oorlog.
„Wat hier werd afgedaan met ‘hahaha’” – zijn lach klinkt
hol – „het zal wel loslopen. We hadden de val van de Muur gehad
en Fukuyama met het einde van de geschiedenis, alles zou beter
worden, we groeiden naar elkaar toe. Ja, in het Westen. Ik woon, of
woonde, in een land, te weten de voormalige Sovjet-Unie, dat helemaal
niet naar ons toe groeide. Na Tsjaikovskistraat 40 wordt nu
ook Poubelle in het Duits vertaald, en Lenins balsem,
en de vertaler mailde me: ‘Du bist profetisch.’ Ergens
laat ik een Russisch meisje zeggen dat iedereen in Rusland gedoemd
lijkt om de geschiedenis waarover ze op school leerden later in hun
leven zelf mee te maken. In het Westen is veel minder historische
reflectie. Op weg hierheen liep ik langs de Hollandsche Schouwburg,
hoeveel mensen denken er nog aan wat daar gebeurd is? Dat de
geschiedenis ons ook achtervolgt, dat lijkt iedereen nu wel te
beseffen. Europa wordt nooit meer hetzelfde, hoe dit ook afloopt.”
Hoe loopt het af?
„Het wordt ben ik bang eenzelfde cataclysme als de Eerste en de
Tweede Wereldoorlog. Met dat uit de Verlichting voortkomende
vooruitgangsideaal van ons, dat denken dat de meeste mensen deugen,
zijn we gekaapt door een psychopaat, een calculerende psychopaat die
de wereld in gijzeling houdt en zinspeelt op het
allerverschrikkelijkste: de inzet van kernwapens. Ik heb neefjes van
9 en 12, ze zijn opgevoed met praten in de kring en zoentje geven als
je boos bent, en straks wordt de dienstplicht weer ingevoerd.
Kinderen die in de bakfiets worden rondgereden en papa is
koffie-artiest, die zullen weer anderhalf jaar gaan moeten dienen op
de Duitse hei of in Letland. Maar nu zitten we weer over de oorlog te
praten, terwijl ik een nieuwe roman heb geschreven. Ga je daar nog
wat over vragen?” Doorpratend: „We hadden net boekenkasten laten
maken in Sint-Petersburg, dure boekenkasten. De rotan stoeltjes die
ik ooit in Haarlem gekocht heb, de stoel van mijn moeder vroeger,
schilderijen, alles is achtergebleven.”
Wat heb je wel meegenomen?
„Niets. Ja, een paar boeken uit de Privé-domeinreeks. Mensen
als Nabokov, die na 1917 naar Groot-Brittannië vluchtte, zeiden dat
ze hadden geleerd om niet aan materiële zaken te hechten. Dat heb ik
ook geleerd, maar nu dit me overkomt, voelt het toch anders. Nou ja,
peanuts vergeleken met de mensen van wie de huizen gebombardeerd
zijn. Of die opgesloten zitten in Marioepol.”
Schrijver, journalist
Pieter Waterdrinker
(Haarlem, 1961) groeide op in het hotel van zijn ouders in Zandvoort
en studeerde Russisch in Amsterdam. Later deed hij ook nog
rechten en Frans.
Sinds 1996 woont hij afwisselend in
Sint-Petersburg en Moskou. Tot voor kort was hij correspondent voor
De Telegraaf, de VPRO en Vrij Nederland.
In 1998 debuteerde hij met de roman
Danslessen. Zijn autobiografische roman Tsjaikovskistraat
40 (2017) is een internationale bestseller.
Waterdrinkers vrouw is de Russische
germanist en kookboekenschrijver Julia Klotschkova.
Je schrijft dat je Poetin twee keer de hand hebt geschud.
„Als journalist ja, in de tijd dat hij mensen nog een hand gaf,
lang geleden. Voor een documentaire over de MH17 ben ik naar de
woonkazerne gegaan waar hij is opgegroeid, tussen de ratten en de
kakkerlakken, een straatschoffie, een paar honderd meter bij mijn
huis in Sint-Petersburg vandaan. Zijn vader vocht in de Tweede
Wereldoorlog en een oudere broer is omgekomen tijdens de blokkade van
Leningrad, negenhonderd dagen, een miljoen doden. En die man, met een
broer die is omgekomen door Hitler, zit nu in het Kremlin. Zo
dichtbij is de geschiedenis.”
In zijn beleving vecht hij tegen de nazi’s.
„De schofterigheid, de ploertigheid van die redenering.
Uitgerekend die man haalt exact hetzelfde uit met Marioepol, met Kiev
als het hem lukt, zich baserend op de mythe van het Grote Russische
Rijk. Ik herinner me als de dag van gisteren dat hij president werd,
31 december 1999. Julia en ik waren in Moskou en we wilden een
oliviersalade maken, geprakte aardappelen, wortelen, augurken,
boterhamworst, mayonaise – Russen eten er op oudejaarsavond emmers
vol van – maar we hadden niet alles in huis en ik ging naar de
supermarkt. Toen belde Julia me. Ik had al een mobiele telefoon.
Zoiets raars, zei ze, Jeltsin is afgetreden en hij heeft de macht
overgedragen aan Poetin. Je kan zeggen wat je wilt, maar de eerste
acht jaren bracht hij de Russen welvaart en stabiliteit, na de jaren
negentig, waarin de zaden voor de corruptie, de smerigheid en de
excessieve rijkdom van de bankiers en oligarchen werden gezaaid. Was
hij in 2008 afgetreden, dan zou hij de geschiedenis in zijn gegaan
als – maar laten we het over mijn nieuwe roman hebben. Die gaat
over de liefde en ouder worden en de dood, over la condition
humaine…” Zichzelf onderbrekend: „In het Westen kunnen we
ons niet voorstellen dat het hier ook oorlog kan worden, of dat er
een revolutie komt. Dat de rijken hun huis uit worden gesleurd en
afgemaakt en in de goot worden gesmeten, zoals in Sint-Petersburg in
1917, of in Parijs in 1789. Maar het kán wel, hè, dat degenen die
de grachtenpanden schoonmaken het niet meer pikken en op een dag
stenen door de ruiten gaan gooien. De wrok en de rancune van de
mensen die niets hebben en zich vernederd voelen zijn grenzeloos.”
In ‘Biecht aan mijn vrouw’ schrijf je ook over de
vernederingen in de jeugd van de hoofdpersoon, die Pieter
Waterdrinker heet.„Hij logeert in het Schrijvershuis boven de Athenaeum boekhandel
op het Spui, ver van zijn vrouw Julia, die in Frankrijk is, en dan
wordt hij op faustiaanse wijze op de proef gesteld. Het meisje Jeva
dient zich aan en ook zijn geslaagde en schatrijke schoolvriend Otto
Brons, en dan denkt hij terug aan zijn jaren op het lyceum in
Haarlem, waar iedereen uit Aerdenhout of Heemstede kwam, met een
vader die arts of advocaat is, en zijn ouders hebben een kwijnend
hotel in Zandvoort en werken zich halfdood, en dan gaat hij studeren
in Amsterdam, waar hij het niet leuk vindt, net als ik. Ja, als je de
zoon van een tandarts was en je werd lid van het corps, dan kon je
een geweldige tijd hebben, maar ik – de eerste keer dat ik van het
corps hoorde dacht ik aan een zangkoor. Ik vond mijn studententijd
een gruwel.”
De Pieter Waterdrinker in je boek maakt grappen over een zwarte
dichter die heel erg woke is.
„En uit een zeer gegoede familie komt, zonder slavernijverleden.
Ik houd de lezer graag een spiegel voor, een lachspiegel. Dat is geen
pesten, dat is de tijd weergeven. Wokeness, MeToo, het wordt zo
serieus genomen – al is de aandacht ervoor sinds de oorlog wel
minder geworden. Waarmee ik niet bedoel dat het onbelangrijk is. Maar
er is een hiërarchie. Aandacht voor trauma is een uiting van
beschaving, mogelijk gemaakt door welvaart, rust en vrede. Die vrede
kan zomaar voorbij zijn. Er was een avond in Pakhuis De Zwijger over
Stefan Zweig en Die Welt von Gestern. Ik ken zijn werk goed
en ik had een filmpje ingesproken over die Habsburgse wereld die
Zweig oproept, die in zichzelf zwelgende, welvarende wereld,
kaiserlich und königlich, waar nooit een einde aan leek te
komen, en waar de Eerste Wereldoorlog toch bruut een einde aan
maakte. Wij denken, of dachten ook dat de welvaart eeuwigdurend zou
zijn, en tegelijkertijd klagen we over de overgevoeligheid en het
verwende gedrag van de jeugd.”
Net als in 1914.
„Iedereen stond te juichen toen het begon, ook intellectuelen
als Thomas Mann en Alexander Blok. Mensen gooiden hun strohoedjes in
de lucht van vreugde. Ze dachten dat het een korte vrolijke oorlog
zou worden, geen idee van loopgraven en mosterdgas. We zitten in de
prelude van de prelude. Het is mooi weer, de vogels zingen, maar er
zijn al bijna vier miljoen mensen uit Oekraïne gevlucht. Een miljoen
Russen willen ook weg.”
Wat drijft Poetin?
„Haat en rancune, doordat hij zich vernederd voelt, zijn hele
leven al. Veel Russen hebben een minderwaardigheidscomplex, dat wordt
overdekt door gevoelens van superioriteit. Die Kremlin-elite – ze
zijn als een groepje oligarchen dat lid wil worden van de Kennemer
Golf & Country Club, waar de elite uit Aerdenhout en Heemstede
speelt. Ze zijn rijk genoeg om de hele club te kopen, maar ze willen
dat het bestuur hen aanneemt. En ze komen niet door de ballotage
omdat ze te ordinair zijn.”
Correctie (2 april 2022): In een eerdere versie van dit
artikel stond dat Poetin op 21 februari sprak over ‘tegenstanders
die als vliegen moeten worden uitgespuwd’. Die uitspraak deed
Poetin op 16 maart. Dat is hierboven aangepast.