Posts tonen met het label Heden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heden. Alle posts tonen

vrijdag 1 mei 2020

CABARET / NEDERLAND IN CORONATIJD: Pieter Derks over het 5G-complot


Pieter Derks over het 5G-complot

15 apr. 2020
 

22,9K abonnees
www.pieterderks.nl 

Hoewel het echte leven momenteel elke dag weer krankzinniger en dramatischer blijkt te zijn dan de dag ervoor, denk ik niet dat een 5G-complot tot de mogelijkheden behoort. Dat komt vooral omdat elke complottheorie een enorme achilleshiel heeft. Je hebt er capabele mensen voor nodig. Kortom, mensen waar onze machthebbers in de verste verte niet op lijken. Mijn column voor De Nieuws BV op NPO Radio 1.

woensdag 29 april 2020

DUBBELCOLUMN LEON KERSTEN & AART DEKKER: Afl.2 van: Hey Aart, hey Leon over de Dilemma’s Na de Corona-Lockdown: Een DBL met Veel Nederlanders? / DBL / FIBA /

Er wordt al even niet meer gebasketbald in Nederland. Het is ook al even geleden dat en ik elkaar op deze manier spraken.

vrijdag 24 april 2020

DUBBELCOLUMN LEON KERSTEN & AART DEKKER: Hey Aart, hey Leon over Nederlands Basketbal en de Dilemma’s In&Na tijden van Coronacrisis / DBL / FIBA /

Er wordt al even niet meer gebasketbald in Nederland. Het is ook al even geleden dat en ik elkaar op deze manier spraken.


Hey Aart,
Rare tijden zo. Met mij en mijn familie gaat gelukkig alles goed. Hoe gaat het bij jou?
Hey Leon,
Het zijn zeker onwezenlijke tijden; je weet, met mijn slaapproblemen zie ik het zonnetje nogal eens opkomen voordat ik aan slapen toekom…prachtige uitzichten, de vogels die zingen, en dan tegelijkertijd al die Corona-ellende die voorbij komt… Ik nam de nu voorgeschreven afstand al wat eerder in acht vanwege het verhoogde risico dat ik waarschijnlijk loop.

Ik zie dus op mijn prachtige nieuwe woonplek af en toe wat buren over de schutting, en gelukkig komt mijn vriend Ed ‘Lace’ Strong regelmatig langs om te helpen met het bewoonbaar maken van mijn huis, anders zou het wel erg eenzaam worden allemaal. Ik ben gammeler dan normaal, maar niets om zorgen over te hebben  – eerlijk gezegd zou het mooi zijn als mijn klachten verklaard zouden kunnen worden door een besmetting; dan zou ik er wellicht vanaf zijn –  maar dat zal wel niet. Gelukkig gaat het voor zover ik weet ook goed met familie en vrienden.
Hey Aart,
Van de ene op de andere dag was de eredivisie voorbij. Een terecht besluit gezien de gezondheidssituatie rond het coronavirus. Ook was het nodig om de Eredivisieclubs financieel te redden. In Italië, Spanje en de Euroleague hopen ze de competitie (in de zomer) nog te hervatten. Dat kost klauwen met geld en dat hadden de Nederlandse clubs nooit overleefd (de NBA is een andere orde van grootte).
Vooruitkijkend zie ik nu een ander probleem opdoemen namelijk de anderhalve meter economie. Dat zou wellicht tot het eind van dit jaar en misschien nog langer gaan duren. Dat zou ook betekenen dat als de competitie in het najaar hervat wordt er weinig of geen publiek aanwezig mag zijn in de hallen. Nou zijn er teams waar dat niet veel uitmaakt, maar de misgelopen recettes en niet te vergeten seizoenkaarten (want wie koopt die nou als er geen toegang tot de hal is) gaan bij menig club zeker pijn doen. Nog even los van het feit dat ik me afvraag of mensen straks wel in een ‘kleine’ ruimte bij elkaar willen gaan zitten.
Dan heb je nog de belangrijkste inkomstenbron voor clubs en dat zijn de sponsoren. Het is geen groot geld in het Nederlandse basketbal. Dit heeft één voordeel. Namelijk als je weinig geld hebt, kun je ook weinig kwijtraken. Feit is dat de Nederlandse basketbalclubs drijven op inkomsten van het lokale en regionale midden- en kleinbedrijf. Zij worden in deze crisis hard geraakt. Dit gaat onherroepelijk gevoeld worden door de clubs. Contracten, hoe klein ook, zullen niet verlengd worden. De afspraken in bestaande contracten kun je als club wel opeisen, maar als het bedrijf ten onder gaat of mensen moet ontslaan kom je ook in een ongewenste situatie.
Kortom ik voorzie best grote problemen voor veel teams. De groten zullen kleiner worden en voor de kleintjes hou ik mijn hart vast.
Ik denk zelfs dat de kans aanzienlijk is dat de Beneliga komend seizoen al -moet- beginnen. De financiële situatie door de coronacrisis is in België niet veel anders dan in Nederland dus de basketbalclubs daar gaan het ook voelen. Heel misschien hebben ze wat meer vet op de botten, maar toch. Als er in Nederland een paar wegvallen en in België ook dan ben je eigenlijk tot elkaar veroordeeld om een volwaardige competitie te spelen.
Nou staat de Beneliga al op de rol voor het seizoen 2021-2022. Er zijn al voldoende gesprekken geweest dus de twee landen kennen elkaar. Ik sta er nog steeds een beetje dubbel in, maar de realiteit is dat een vervroegd (of gedwongen, als je het zo wilt noemen) huwelijk een reëel scenario is. Waarbij ik dan voorstel een Beneliga te spelen en kampioen te kronen (eventueel met play-offs) en dan nog los (erna of anders ervoor) de hoogst genoteerde vier van beide landen uit de ranglijst van de Beneliga om hun nationale kampioenschap te laten spelen.
Hoe zie jij dit?
Hey Leon,
Het is allemaal inderdaad van ongekende dimensies en complexiteit, en ik zou niet graag in de schoenen staan van het -vaak toch op vrijwilligersbasis werkende- kader van alle DBL-clubs, groot en klein. Daar houdt het trouwens niet op; de financiële problemen zijn bij de andere verenigingen dan weliswaar veelal wat kleiner (bij de ‘amateurs’ en de breedtesport), maar de potentiële problemen zijn zeker vergelijkbaar. Wie haken er af en hoeveel leden blijven er over.

De huidige omstandigheden zouden zomaar mensen doen besluiten om er nu maar een punt achter te zetten. Op DBL-niveau zie je dat bijvoorbeeld al bij Berend Weijs, toch een anker voor Apollo Amsterdam, die die beslissing al nam, en bij Michael Kok van Feyenoord. Laten we hopen dat er geen nieuwe aderlating aan goede Nederlandse spelers volgt, zoals voorafgaand aan dit voortijdig afgebroken seizoen wel het geval was (wij schreven daar eerder   ---  Hier  --- over).


 


Dit eens te meer, omdat een scenario om uit deze situatie te komen zou kunnen zijn om een eerste fase van de competitie met zoveel mogelijk Nederlanders te spelen; ik zie daar wel voordelen in. Waar (veel) buitenlanders voor nogal wat teams een optie is die te vaak gekozen wordt omdat het simpeler en ook wel goedkoper is, zou het er nu weleens op uit kunnen draaien dat het onder deze omstandigheden eens andersom werkt.

Ik had het pas over met een ex-international die het Nederlandse basketball al jaren volgt vanuit het buitenland; er wordt bij de DBL-clubs hard gewerkt en er worden zeker stappen gemaakt, maar met enige regelmaat loopt Nederland tegen een economische dip aan en dan wordt een (flink) deel van die progressie in korte tijd weer te niet gedaan. Een beetje van ‘als de economie niest’, dan heeft het Nederlandse Basketball gelijk griep. Zijn conclusie was “dat het niet opschoot als er na een tijdje groei altijd weer een klap naar beneden volgt”.

Dat ‘Boom-or-bust-effect’ is zeker een feit, maar als je de ‘Glas-halfvol-filosofie’ hanteert, biedt iedere crisis dus ook kansen om ralatief extra stappen te maken; ik denk niet dat onze direct-concurent-sporten het gemakkelijker hebben…

De economische klappen nu zullen hoogstwaarschijnlijk gigantisch zijn tegen de tijd dat alles weer een beetje normaal wordt, en dan nog zal ‘normaal’ niet betekenen ‘terug naar hoe het was’; ik denk dat er grote veranderingen op til zijn in ons bestel, maar nauwelijks te voorzien hoe dat ‘nieuwe normaal’ eruit zal gaan zien, dus is het ook erg lastig voor clubs om zich daarop voor te bereiden.
Wat anders is dan bij vorige dips, is dat er nu tijd is om met de toekomst bezig te zijn; hopelijk besteden zowel de clubs als de koepels zoals NBB, Fiba en clubs die tijd goed. Mits nog creatiever, innovatiever en met nog meer op doelgroepen toegesneden marketing kan een deel van de schade wellicht worden gecompenseerd.

Stokpaardje: er moet (nog) veel meer gewerkt worden aan media-aandacht, als de traditionele media daar niet in voorzien, dan moet het Nederlandse basketbal er wellicht maar zelf in gaan voorzien; het streamen van wedstrijden is aardig tot goed voor elkaar binnen de DB, sommige ploegen scheppen ook daarbuiten al de nodig content, maar het kan natuurlijk altijd meer en beter, en er moet volgens mij ook iets komen waarmee het grote algemene sportpubliek bereikt kan worden.

Wat betreft de start van de competitie en of die met of zonder publiek zal zijn, of met beperkt publiek: ik ben bang dat dat september echt niet gehaald gaat worden en misschien is zelfs januari ook nog lastig. Ook de weer als leidsman van BC Oostende teruggekeerde Johan Vande Lanotte -een gepokt en gemazeld politicus- gaat ervan uit dat september waarschijnlijk onhaalbaar is.  


 


Ik hoop dat ik het mis heb trouwens! Maar zowel de NBB als FIBA zetten vooralsnog in op min of meer dezelfde planning. Dat is aan de ene kant begrijpelijk, maar voor de clubs lijkt het me bijna onwerkbaar, omdat het (nu) per drie weken wordt bekeken. Vandaar mijn suggestie hierboven; als je het dicht bij huis houdt, wordt het overzichtelijker en dan kan je altijd in een volgende fase opschalen richting wat we gewend zijn. Maar dat biedt natuurlijk geen soelaas voor de clubs met Europese ambities…

Vervroegd van start met de Beneliga? Dat zou zomaar kunnen. Maar dan vrees ik dat het wat betreft structuur het samenvoegen van de overgebleven Belgische en Nederlandse Leagueteams niet te boven zal gaan, zoals jij al schetst. Terwijl ik graag zou zien dat het daar niet bij blijft; zo zou ik graag zien dat ook Luxemburg er deel van gaat uitmaken. 

Ik zou graag een gelaagd model zien van tenminste twee niveaus zodat er ook plek is voor de wat minder dure teams en een vorm van Promotie/Degradatie, en het gat tussen wat bij ons de top van de Promotie-divisie is, en in België de Tweede Nationale. Bob van Oosterhout hintte al in die richting in het jou ongetwijfeld bekende artikel van het Brabants Dagblad 'Crisis kan Beneliga versnellen'; ‘een optie is een model met een Gold en een Silver-divisie met Promotie en Degradatie’.

Jij vraagt wat ik denk van het spelen van het gehele Reguliere seizoen in Beneliga-verband, met playoffs om het Nationale Kampioenschap tussen de vier hoogst eindigende Nederlandse (en Belgische). Dat is -als je uitgaat van een in totaal nog krimpend aantal clubs- niet zo’n gekke gedachte. Maar mede gezien wat ik in de vorige alinea schreef, zou mijn voorkeur toch zijn dat er zowel een regulier seizoen met playoffs per land zou moeten komen.

Als een Beneliga (die dus wat mij betreft een Beneluxliga zou moeten worden). Want de spoeling is al zo dun, en het niveauverschil al zo groot; als alles op een niveau zou worden samengevoegd wordt dat gat nog .groter en dus de kans dat er ooit nog eens een club promoveert navenant kleiner. Net als het risico dat er kleinere/zwakkere broeders omvallen. Want je begint aan zo’n Beneliga om het niveau te verhogen en de markt te vergroten; er moet dus groei komen en niet ook krimp. 

Overigens sprak ik rond de Kerst ‘good old Lucien van Kerschaever’ over een Beneliga, hij was van mening dat die gewoon naast de al bestaande competities zou moeten worden georganiseerd; met dus als gevolg een forse verhoging van het aantal wedstrijden: ‘Drie per week, dat moeten echte professionals aankunnen’.

België is trouwens wel verder dan Nederland waar het gaat om TV-rechten en uitzendingen; misschien dat de Nederlandse clubs daarvan kunnen profiteren?

Hey Aart,
Moet je eigenlijk wel willen spelen in het najaar als er geen publiek bij kan of mag zijn? De Nederlandse Eredivisie wordt door geen enkel traditioneel medium uitgezonden. De online streams zijn aardig, maar de kwaliteit verschilt enorm en de beleving is op z’n zachtst gezegd anders. Belangrijker nog is dat de streams de clubs financieel niets opleveren.
Als de coronacrisis wat is afgevlakt zal dit punt meevallen, maar de dreiging is reëel. Ik denk dat er serieus moet worden nagedacht om de competitie pas te starten als er weer ‘normaal’ (wat dat dan ook is) publiek bij mag zijn. Als dat januari is, is dat januari. Hoe zie jij dit?
Hey Leon,
Ik zag in dit kader zondag bij Studio Sport Stef Clement die stelde dat er weinig keus was; de nieuwe ‘Agenda van hoop voor het wielrennen’ voorziet in het verrijden van de drie Grote Rondes in drie maanden zonder echte pauzes ertussen. “Een kwestie van overleven” stelde hij. Ik denk dat dat ook opgaat voor de DBL

Het is moeilijk plannen en verre van ideaal, maar misschien moet je wel. En dan hoop ik maar dat je met ‘eventueel januari’ niet ook nog te optimistisch bent; stel nu eens dat het hele komende seizoen wegvalt? Met of zonder publiek? Het zijn duivelse dilemma’s! Zeker als je het volgende horrorscenario leest: ‘Maximaal-239-personen-welkom-bij-bundesligaduels-zonder-publiek’




Maar ‘Out of the box-denken’, creatief en innovatief zijn dus en dan vooral ook in combinatie met een veel krachtiger (digitaal) mediabeleid; misschien zit hem daar wel een oplossing. Een seizoenkaart zou misschien ook voor streams moeten gaan gelden zolang de arena’s niet volgestouwd mogen worden vanwege Corona.

Dit dan bijvoorbeeld gekoppeld aan een fraai magazine, al dan niet digitaal of op papier. Dus dat zou betekenen: een ‘luxe- en extra aangeklede stream voor betalende fans’ en een eenvoudige, kale, eventueel ingekorte gratis voor iedereen.

Trouwens: de clubs kunnen, zoals Donar dat al heel snel deed, een beroep doen op hun Fans om hun club door de crisis heen te trekken. Ik weet niet of dat overal haalbaar is, maar het zou een versterking van de band tussen club en fan kunnen betekenen.

- Wordt vervolgd -


AART DEKKER & LEON KERSTEN

De conversatie ging al verder, ik zet het vervolg binnenkort online.

Nog geen genoeg van Leon Kersten over Basketball?  Deze Post op zijn Blog is ook erg de Moeite Waard - een Aanrader dus!

'En-we-hebben-alsnog-basketbalkampioenen-van-nederland-m-v-ok-op-basis-van-een-wiskundig-model-maar-toch-leuk'

 

vrijdag 29 november 2019

OPLEIDEN VAN COACHES NBB / Q&A: Hey Ben Ponsioen, Hey Aart - Dutch Basketball Coaches Association / AART DEKKER / STATUS-QUO / ALV /

Twee van de oprichters van de DBCA: Aernout Dorpmans(R) en Ben Ponsioen 2e van L(tussen Jelle Witvoet(L) en Juliet Fransen(NBB) bij de uitreiking van hun Bondsspeld in 2016
Morgen – zaterdag 30 november 2019 – is er weer een Algemene Leden Vergadering(ALV) van de NBB; een belangrijke omdat er veranderingen op til zijn. Tijd om uitgebreid in te gaan op veel zaken ontbreekt me, maar enkele aspecten wil ik toch graag belichten. Ik vroeg me af: 'Als je de Bond zou willen beperken tot het absolute minimum, welke vormen dan de echte Core-business van de NBB?'

Voor het zich Voorspoedig Ontwikkelen van het Nederlandse Basketball bestaan er een aantal gebieden die absoluut Essentieel zijn. In mijn ogen zijn dat:
-kwalitatief goede – op de juiste tijden ruim beschikbare – Accommodaties, tegen betaalbare tarieven – liefst nog in Eigen Beheer en/of met een Clubhonk –,
-met als goede tweede het Kwantitatief & Kwalitatief Opleiden van 1) Coaches, 2) Verenigingsorganisatorisch Kader en 3) Scheidsrechters,
-en als derde het organiseren van Competities die passend zijn voor een zo groot mogelijk deel van de in Basketball geïnteresseerde mensen.

Al jaren lang klinken er zorgwekkende geluiden over hoe ons ooit redelijk functionerende Opleidingssysteem van Coaches aan het afkalven is. Aangezien coaches aan de basis staan van het ontwikkelen van spelers en teams, en dus verenigingen en vertegenwoordigende teams op ieder niveau, is volgens mij de beschikbaarheid van ruim voldoende kwalitatief goede coaches een van de voornaamste voorwaarden voor de ontwikkeling van het Nederlandse Basketball.

Daarom wil ik in het inmiddels van mij bekende 'Hey...-format' middels een Q&A met Ben Ponsioen van de Dutch Basketball Coaches Association focussen op het aspect Coaches Opleiden en verder Ontwikkelen.


Hey_Ben: kan je jezelf in een paar zinnen introduceren bij de lezers die jou wellicht nog niet kennen? Ik verwacht niet dat dat er heel veel zijn, maar al is het er maar een...

Hey_Aart: Ben 'Pensioenada' Ponsioen; ik ben 40 jaar docent LO, meer dan 40 jaar trainer/coach, 35 jaar bondsopleider (ik schat dat ik +/- 250 coaches heb opgeleid – waar zijn ze allemaal gebleven? – en heb als Personal-coach op allerlei niveaus bijgedragen aan de ontwikkeling van spelers (bijvoorbeeld Dan Gadzuric die een mooie NBA-carrière had, en Willem Brandwijk die nu bij Feyenoord Basketball speelt en Orange Lions A-International is).


Hey_Ben: je maakt deel uit van de groep initiatiefnemers die de Dutch Basketball Coaches Association(DBCA) heeft opgericht. Kan je kort aangeven wie de andere initiatiefnemers zijn en nu leiding geven aan die club? Waar jullie je zoal mee bezig houden, met wie jullie samenwerken, en hoe deze nog relatief jonge club zich ontwikkelt?

Hey_Aart: In een ver verleden was er de Coaches Community van Jan Netten. Wij proberen weer nieuw elan in de Coaches Community te brengen. Onze groep bestaat uit : Aernout Dorpmans, Peter Strikwerda , Ben Ponsioen, Arjan de Bruin en Paul van de Heuvel. De DBCA organiseert Clinics rond DBL-wedstrijden, tijdens kampen (bijvoorbeeld recent een Clinic met Marco van de Berg en Erik Braal) en Clinics voor spelers en coaches met experts van naam en faam (bijvoorbeeld recent met Ganon Baker). Verder werken wij samen met de Belgische coaches organisatie waarmee we het digitale blad 'Rebound' uitbrengen.

Hey_Ben: jullie zijn al vele jaren succesvol betrokkenen bij het Opleiden van Coaches; een hoeken waar vanuit de laatste tijd zorgelijke geluiden klinken. Zouden jullie eens in kort bestek voor het Verenigingskader in het algemeen – en de verenigings-afgevaardigden op de aankomende NBB-ALV in het bijzonder – kunnen schetsen wat er speelt?
Hey_Aart: Als WIJ (als NBB) willen groeien en internationaal aan de weg willen timmeren, dan moet de opleiding van KADER de hoogste prioriteit hebben. Dat is op dit moment niet het geval. De NBB organiseert zelf nauwelijks opleidingen; het wordt de laatste tijd vooral aan de verenigingen overgelaten om die te organiseren. Er is dus geen regie; maar er is wel een stringent licentie beleid. Een teken aan de wand is dat bij de Nationale Teams aan de mannenkant inmiddels vrijwel allemaal buitenlandse coaches werkzaam zijn! In het beleidstuk 'Talentenhuis' vond ik geen woord over opleiden van coaches!

Hey_Ben: toen ik een kleine 40 jaar geleden begon met het coachen van jeugd, en niet veel later mijn eerste cursus volgde, was jij een van de voornaamste docenten. Hoe was de situatie op opleidingsgebied toen? En welke stadia zijn we sindsdien doorgegaan, en hoe hebben die ontwikkelingen geleid tot de bovenstaand beschreven huidige situatie?
Hey_Aart: 'In the Old Days' had je de volgende opleidingen (veelal gegeven door vakleerkrachten LO):

-Mini trainer
-JTB (jeugdtrainer)
-Trainer-A
-Trainer-B
-Trainer-C

Dat is een aantal jaar geleden veranderd in:

-BT1
-BT2
-BT3
-BT4
-BT5

Een echte opleiding BT1 is er eigenlijk gewoon niet, BT2 en BT3 worden georganiseerd door de verenigingen die zelf het initiatief nemen, en eens in de twee tot drie jaar organiseert de NBB een BT4 (waarbij 60% van degenen die aan die cursus beginnen uiteindelijk niet aan de afsluitende Proeve Van Bekwaamheid (zeg maar het 'examen') toekomt. BT5 opleidingen worden sportbreed gegeven op de AlO in Amsterdam en Groningen. Dat is een zeer dure opleiding. Een van de laatste coaches die deze BT5 heeft afgerond, is Hein Gert Triemsta; een talentvolle coach, die nu in Luxemburg coacht!

Verder zijn de opleidingen gestructureerd als een (moderne) schoolopleiding, met een leercoach,een praktijkbegeleider en een port-folio; vooral dat laatste blijkt een bottleneck voor veel cursisten te zijn waar er veel op stranden. Dit moet en kan veranderen, want de NBB kan z'n eigen opleidingen structureren, als we maar aan de audits van NOC/NSF voldoen.

Hey_Ben: een ding dat velen – zeker mensen die zich al langdurig inzetten voor het algemeen belang – een doorn in het oog is, is dat de NBB maar niet wil groeien. Toen ik 45 jaar geleden op mijn 15e lid werd waren dat er ongeveer 42.000. We zijn misschien ooit op een top van 45.000 gekomen, maar eigenlijk zijn hebben we die kaap sindsdien nooit meer gehaald. Hoe is dat toch mogelijk? En welke rol speelt het aantal beschikbare coaches van voldoende kwaliteit en niveau daarbij?
Hey_Aart: Naar mijn mening is de grootste (maar zeker niet de enige) oorzaak: het gebrek aan KADER. Hoeveel clubs zijn niet in elkaar gestort door gebrek aan kader? In 'West' bijvoorbeeld TTD, Argus, Jumpers (allemaal in Den Haag), Leiderdorp, BV Alphen, maar de lijst is gemakkelijk veel langer te maken; allemaal clubs van (meer dan) 200, 300 leden en nu verdwenen of geslonken tot minder dan de helft! Coaches kunnen soms clubs jarenlang in de lucht houden met minimale steun van organisatorisch kader, maar uiteindelijk loopt dat een keer stuk.

Hey_Ben: Jullie hebben wellicht een aardig zicht op het verloop onder de gekwalificeerde coaches. Kunnen jullie daar iets meer over zeggen? Wat is het onmiddellijke tekort in jullie visie op dit moment, zowel kwantitatief als kwalitatief? En zien jullie een connectie tussen het – in een bepaalde regio – opleiden en dus vergroten van de vijver aan beschikbare opgeleide en goed begeleide coaches? En zo ja: kunnen jullie een indicatieve vuistregel maken over wat er gebeurt als er in een bepaalde regio/bij een bepaalde club een aantal vers opgeleide coaches bijkomen?
Hey_Aart: Kijk naar clubs, die aan de weg timmeren of timmerden, bijvoorbeeld Lokomotief; de basis wordt gevormd door kwalitatief goede trainer/coaches. En uiteindelijk vormen de verenigingen – op alle niveaus – de basis van een een florerende NBB.

Hey_Ben: zijn er voldoende Coaches om Coaches (verder) op te leiden? Zo nee: wat is het tekort daar.
Hey_Aart: Er wordt heel weinig gedaan aan het opleiden van de opleiders; daarvoor ontbreekt al jaren een plan. Dus vergrijst het team van docenten dat coaches moet opleiden.

Hey_Ben: tenslotte dit, het is wrang het er over te moeten hebben, maar ik voel aan alle kanten dat het speelt. Jullie zijn duidelijk van de 'Oude Garde' (net als ik inmiddels ook). Komt het voor dat jullie/onze generaties worden weggezet als 'Oude Knarren', die sommigen wellicht liever kwijt dan rijk zijn? En natuurlijk is er voor iedereen een tijd van komen en een van gaan. Maar denken jullie dat het Nederlandse Basketball het 'wel zonder onze generaties af kan'? Wat zouden de gevolgen zijn als mensen van deze leeftijd (laten we zeggen vanaf 55-60, en misschien wel ouder), ineens allemaal zouden stoppen met het opleiden en coachen van jongere coaches? En dan laat ik nog maar even liggen dat een deel van die groep ook nog zelf de rol van primaire coach vervult en deze op zou kunnen geven?
Hey_Aart: Je bent zo oud als je je voelt ! Ik werd op 58-jarige leeftijd al afgeschreven als bondscoach...en nu moet ik de huidige coaches op de hoogte brengen van het moderne motorisch leren... Over het algemeen wordt er vaak ontzettend traditioneel training gegeven...

Meer over de DBCA:

De Site van de DBCA:   ---  Hier  ---

donderdag 24 oktober 2019

EVEN NADENKEN / FRAGMENT COLUMN CLAUDIA DE BREIJ: 'Zogenaamd Stoer' / AANRADER / HEDENDAAGS NEDERLAND / TIJDGEEST / NRC OPINIE / POLITIEK NEDERLAND /

FRAGMENT(NRC Column Claudia de Breij, 6 september 2019, 'Zogenaamd Stoer'):

"......  Je ne maintiendrai pas.

Gelukkig kwam het AD met een overzichtelijke handleiding voor het (in dit geval kennelijk toegestane) burgerarrest; als u zelf iemand in nikab ziet, kunt u haar tot de orde roepen. Mocht zij zich verzetten tegen uw burger-arrest dan mag u haar desnoods tegen de grond werken. Onderwijl roept u: „Op de grond vrouw! Dan zal ik je eens even laten voelen hoe erg ik tegen jouw onderdrukking ben!”

Mensen met een Nederlandse vlag en het woord ‘storm’ in hun sociale media-profiel waren er klaar voor. Wij zullen handhaven! Leve de knokploeg! Afschuwelijk en doodeng, maar wel iets wat je als overheid over jezelf afroept wanneer je wetten uitvaardigt die je niet wilt handhaven. Dat is, letterlijk, symboolpolitiek. Een zogenaamd stoer besluit om de kiezer te laten geloven dat je het neo-populisme omarmt – zonder er de verantwoordelijkheid voor te nemen.

De polen brandden, en niet alleen op onze opwarmende aarde. De ene gepolariseerde groep stond klaar voor een razzia, de andere lanceerde de hashtag #boerkabuddies. Nikabdraagsters konden zich melden als ze zich onveilig voelden op straat, dan zouden lieve vrouwen met ze meelopen. Wat bleek: er meldden zich meer boerkabuddies dan er boerkadraagsters zijn................"

De hele Column

Zogenaamd stoer

Column Claudia de Breij schrijft elke maand in Het Blad over hoe zij zich handhaaft in hedendaags Nederland.

dinsdag 3 september 2019

DBL / GOED VOORBEELD VAN DONAR & ZIJN MUSEUM / AANRADER: 'Zonder (Bewaard en Gekend) Verleden, Geen Heden' - Dat is in Groningen Goed Voor Elkaar

Een Vruchtbare Samenwerking wordt Verlengd; Donar Maakt Geschiedenis, Jeroen Nienhuis en Sander de Jong; Schrijven, Bewaren en Tonen.
 
Geen heden, zonder verleden! Donar heeft als basketbalclub uit Groningen een rijke historie. Een historie die al tien jaar in ere wordt gehouden door het Donar Museum. Donar tekende een overeenkomst met de mensen achter het Donar Museum, Jeroen Nienhuis en Sander de Jong, om ook voor de komende jaren de samenwerking verder vorm te geven, te continueren en uit te bouwen.  

Neem vooral eens een kijkje op donarmuseum.nl en lees alles over de historie van Donar.

dinsdag 27 augustus 2019

LONGREAD / ONDERZOEK GROENE AMSTERDAMMER SPECIAL REPORT / JEUGD & ZORG: 'Systeemgeweld in de jeugdzorg - De slachtoffers van morgen'

Systeemgeweld in de jeugdzorg

De slachtoffers van morgen

Het rapport van de commissie-De Winter over decennia van fysiek en psychisch geweld in de jeugdzorg moet de politiek alarmeren. Want nog steeds is er sprake van verwaarlozing. Nu door ernstig bureaucratisch onvermogen.

De Jonge en Dekker namen in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag het eindrapport in ontvangst van de Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg. Een ongemakkelijk verhaal, zo vatte commissievoorzitter Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, het rapport samen, want gedurende de twintigste eeuw was een groot deel van de aan de overheid toevertrouwde kinderen aan de niet zelden aan sadisme grenzende willekeur overgeleverd van mensen die hun veiligheid, vertrouwen en bescherming moesten bieden.

Er is de nodige publiciteit over geweest, maar echt heel verrassend waren de bevindingen van de commissie niet. De brancheorganisatie van jeugdzorgaanbieders, Jeugdzorg Nederland, had haar excuses dan ook al klaarliggen voordat het rapport openbaar werd. Er is immers de afgelopen twee decennia een niet-aflatende stroom van verhalen op gang gekomen over misstanden in de wereld van de kinderbescherming, niet alleen in Nederland, maar eigenlijk in alle westerse landen. De rapporten van de commissie-Samson (2012) en de commissie-Deetman (2013) confronteerden ons land met de schokkende feiten dat seksueel misbruik in de jeugdzorg op een aanmerkelijk grotere schaal voorkwam dan ingewijden dat tot op dat moment voor mogelijk hadden gehouden.

Daarmee kwam de deksel van de doofpot en nu velt de commissie-De Winter een snoeihard eindoordeel: het toepassen van geweld is eigenlijk nooit weggeweest uit de jeugdzorg. Was het geen fysiek geweld, dan was het wel psychisch of onderling geweld, waar geen rem op stond. Van de tweehonderdduizend kinderen die sinds de Tweede Wereldoorlog naar schatting onder het beschermingsbewind van de overheid zijn gebracht heeft tien procent vaak tot zeer vaak geweld meegemaakt, slechts een kwart meldt nooit met geweld geconfronteerd te zijn. Dat is een trackrecord dat tot langdurige bescheidenheid zou moeten leiden.

Kinderen bij wie het eten in de mond werd gepropt, ook als het eten zichtbaar bedorven was
Voorzitter De Winter schrijft in zijn voorwoord dat hij de verhalen ‘zo schokkend en zelfs zo buitenissig’ vond dat hij zich ‘aanvankelijk nauwelijks kon voorstellen dat dit echt gebeurd kon zijn’. Kinderen die voor het aanzicht van de hele groep hun natte onderbroek in de mond gepropt krijgen om zo het bedplassen af te leren. Of met de riem afgeranseld werden, elke dag dat het weer gebeurde. Dan wel buiten moesten staan met het laken totdat het droog was. Kinderen bij wie het eten in de mond werd gepropt als zij hun bord niet leegaten, ook als het eten zichtbaar bedorven was.

Klappen, vernedering, opsluiting, isolatie. Het dramatische daarvan was vaak niet eens het geweld zelf, maar het feit dat de kinderen op geen enkele manier ergens gehoor kregen, dat ze in een omgeving die hun veiligheid en warmte had moeten bieden – en waar ze veelal terechtgekomen waren omdat anderen hadden beoordeeld dat hun thuismilieu dat niet kon bieden – dat ze daar op zichzelf, in eenzaamheid werden teruggeworpen en niemand meer hadden. Dat gegeven heeft vele levens langdurig verwoest, daarover laat het eindrapport geen misverstand bestaan.

Bijna duizend ex-pupillen zijn op de radar van de commissie gekomen en hebben hun verhalen verteld. Velen, vaak inmiddels dik de vijftig gepasseerd, deden dat voor het eerst. Al die jaren hebben ze het weggestopt. Ontegenzeggelijk raakt dat ook aan de belangrijkste functie van zo’n onderzoekscommissie: erkenning van de slachtoffers en letterlijk gehoor geven aan hun verhalen. Dat is ook meteen de eerste aanbeveling van De Winter cum suis. Deze kinderen zijn in de steek gelaten, de overheid heeft gefaald en staat bij ze in het krijt.

Of dat tot een ruimere financiële schadevergoeding leidt, daarover deden de ministers geen uitspraken. Daarover zal de komende maanden zeker nog het nodige te doen zijn. Tot nu toe was van ruimhartigheid in deze geen sprake. De Jonge en Dekker beloofden alleen beterschap, zodat ‘de kinderen van vandaag niet de getraumatiseerden van morgen zijn’ (De Jonge) en we ‘rechtdoen aan de slachtoffers van gisteren om de slachtoffers van morgen te voorkomen’ (Dekker).

Het meest dramatische? Dat de kinderen op geen enkele manier ergens gehoor kregen
Maar gaat dat ook lukken? Het eerste wat daarvoor nodig is, is dat de overheid nog eens heel goed reflecteert op haar eigen rol in de geschiedenis. Tot diep in de twintigste eeuw kenmerkte deze zich door een bewuste afzijdigheid. Tot in de jaren tachtig hebben non-interventie, terughoudendheid, niet in de autonomie van instellingen willen treden het overheidsoptreden gekenmerkt. Vanaf de Tweede Wereldoorlog, de periode dus die door de commissie-De Winter uitgebreid is onderzocht, is er door verlichte geesten in de kinderbescherming op aangedrongen om paal en perk te stellen aan het particuliere amateurisme dat in de kinderbescherming welig tierde.

Begin jaren vijftig onderzocht een commissie onder leiding van de hoogleraar Koekebakker 36 inrichtingen en kwam tot een onthutsende conclusie. De medisch-hygiënische verzorging was onvoldoende. De accommodaties lieten te wensen over. Inrichtingskinderen bleken lichamelijk minder goed ontwikkeld dan leeftijdsgenoten die niet in een tehuis zaten. Een ruime meerderheid van het lokale personeel had geen opleiding genoten. Groepsleiders functioneerden vooral als opzichters, als hoeders van orde en rust. Bij voorvallen of spanningen konden zij weinig anders dan overgaan tot harde sancties, straffen, isoleren of het toepassen van geweld. Sterker, hardhandigheden hoorden – dat was de overtuiging van het personeel – bij dit soort jongeren. In de sociale lagen van de samenleving waar zij doorgaans uit afkomstig waren werd geen andere taal gesproken.

De commissie-Koekebakker was zo geschokt dat zij liet weten dat het specialiseren tussen de verschillende vormen van tehuizen (waarover ze advies moest geven) geen zin had als niet eerst de basiskwaliteit op orde zou worden gebracht. Maar veel verder dan wat opleidingseisen voor het personeel kwam dat niet. Uiteindelijk bracht de commissie alsnog in 1959 een advies uit om de kinderbescherming te reorganiseren, maar ook dat bracht in overheidsverband nauwelijks iets teweeg. Elke gedachte aan modernisering en vernieuwing liep stuk op de oerkrachten van de verzuiling, waar zeker in christelijke kringen een diep wantrouwen werd gekoesterd naar alles wat rook naar staatspedagogiek.

Gevolg was wel dat de vele kindertehuizen, Nederland telde er eind jaren vijftig ruim tweehonderd, ongemoeid hun gang konden gaan. Ze werden bestuurd door lokale notabelen voor wie de tradities en gebruiken van hun geloofsgemeenschap belangrijker waren dan de inzichten van de moderne pedagogiek. Het woord van God (‘Wie zijn kind liefheeft, spaart de roede niet’) legde hier doorgaans meer gewicht in de schaal dan de bijbel van Spock, die inmiddels bij normale gezinnen al lang een plaats in de boekenkast had gekregen. Zo kon het internaatsgeweld tot ver in de jaren zestig voortduren. Nergens stond geschreven dat kinderen geslagen, vernederd en gestraft mochten worden, maar niemand voelde zich geroepen om voor deze groep kinderen, veelal afkomstig uit zwakkere milieus, in het krijt te treden. En de overheid keek toe en liet het gebeuren.

Gemeenteambtenaren letten vaak meer op de centen dan op de kinderen
Dat verandert vanaf 1970, als de opstandige tijdgeest ook de kinderbescherming bereikt. Kritische medewerkers brengen Het Roze Pamflet naar buiten, waarin zij de regenteske verhoudingen in de kindertehuizen hekelen, hun beklag doen over de slechte werkomstandigheden en concluderen dat jongeren simpelweg niet geholpen worden in de tehuizen. Ex-pupillen en sympathisanten richten de Belangenvereniging Minderjarigen (BM) op die zich opwerpt als vakbond voor rechteloze tehuisjongeren en zich zet aan een hele reeks zwartboeken en bezettingen om de misstanden, de willekeurige isolatiepraktijken in de inrichtingen aan de kaak te stellen.

Het duurt meer dan tien jaar voordat de BM ook echt als gesprekspartner erkend wordt. Directeuren van tehuizen verbieden de BM simpelweg op hun terreinen in contact te treden met de daar ondergebrachte jongeren. De overheid schuift meer geld naar de tehuizen, er komen psychologen en psychiaters op de loonlijst, maar is er bepaald niet op uit om de particuliere macht van de instellingen te breken. Het blijft een lappendeken aan instellingen, die min of meer hun eigen pedagogische gang mogen gaan. Sterker, als een van de instellingen onder kritiek kwam te staan of er onrecht aan de orde was – zoals dat in Zetten het geval was, waar de BM al in 1974 te hoop was gelopen tegen het isolatie- en medicatieregime van psychiater Finkensieper – was de keuze tussen de leiding van de instelling aan de ene kant en de lastige en moeilijk opvoedbare kinderen aan de andere kant snel gemaakt.

Wat wel veranderde was het interventieregime in de tehuizen. De disciplinering via de roede en de riem werden ingeruild voor groepsgesprekken, individuele behandelingen en medicatie, met de isoleercel als last resort. Het militaire karakter met openbare bestraffingen maakte plaats voor het regime van groepsprocessen. Het geweld verschoof van begeleiders naar onderling geweld tussen de jongeren, zowel fysiek als seksueel. Bovendien werd na het rapport van de commissie-Samson duidelijk dat in de nieuwe een-op-eenrelaties tussen psychiaters/psychologen/groepsleiders nogal eens de grenzen van het seksuele werden overschreden. Kinderen die met liefdeloosheid werden opgevoed werden ertoe aangezet om hun warme en intieme gevoelens met een hulpverlener opnieuw uit te vinden. Dat was weliswaar iets anders dan een knal voor je kop, een openbare vernedering of dagenlang strafcorvee, maar in feite was het een nog intensere vorm van geweld; een die diepe sporen in lichaam en geest achterliet.

En wie niet meedeed, lastig was, tegendraads was of opstandig wachtte nogal eens een rustgevend pilletje of opsluiting in de isoleer. Psychiater Finkensieper gebruikte in deze jaren jonge pubermeiden in de inrichting in Zetten voor farmacologische experimenten met kalmerende middelen. Hij publiceerde erover in erkende tijdschriften. Niemand legde hem een strobreed in de weg. Terwijl in alle lagen van de samenleving zo’n beetje alles democratiseerde en emancipeerde ging dat aan de groep jonge bewoners van instellingstehuizen voorbij.

Kaders voor jeugdzorg zijn niet helder, er is een wildgroei aan hulp, instellingen vallen om
Het is overigens niet zo dat de overheid niets deed. Zij probeerde vanaf de jaren zeventig bestuurlijk greep te krijgen op de uiteenlopende instellingen en tehuizen. Er zette zich een stoet aan werkgroepen, interdepartementale commissies en adviesgroepen in beweging die zich allemaal bogen over andere structuren. Het wegstoppen van kinderen in tehuizen moest tot een minimum worden beperkt, op papier verschenen woorden als ‘regie’, ‘toegang’ en ‘ambulant’. In 1984 nam de regering het standpunt in dat hulp ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moest plaatsvinden. Dit ‘zo-zo-zo’-beleid, althans het streven daartoe, werd verder bepalend voor de Nederlandse jeugdzorg, vaak nog aangevuld met ‘zo tijdig mogelijk’ en ‘zo goedkoop mogelijk’.

In 1989 kwam daar een wettelijk kader voor, in de vorm van de Wet op de jeugdhulpverlening, waarin jeugdzorg naar het provinciale of grootstedelijke niveau werd gedecentraliseerd. Maar echt tot een samenhangend geheel wilde het niet komen. Verschillende geldstromen creëerden verschillende routes en schotten. De jeugdzorg bleef verdeeld over een vrijwillig deel (geld van het ministerie van vws), een justitieel deel (uithuisplaatsingen, ondertoezichtstellingen, geld van het ministerie van Justitie) en dan konden kinderen en hun ouders vaak via de huisarts ook nog een beroep doen op de jeugd-ggz, een route die gefinancierd werd door de zorgverzekering. Niet het soort problemen bepaalde de aard van de hulp, maar de plek waar kinderen toevallig terechtkwamen. Eind jaren negentig werden er een soort hubs bedacht, verdeelknooppunten in de jeugdzorg in de vorm van zeventien Bureaus Jeugdzorg.

Maar ook dat bleek niet echt te werken. Instanties werkten langs elkaar heen, ingewikkelde gezinnen werden overlopen door verschillende hulpverleners, huisartsen bleven kinderen rechtstreeks doorverwijzen naar de jeugd-ggz, die een ongekende groei doormaakte. Er gingen steeds minder kinderen naar tehuizen, die vrijwel allemaal zijn opgedoekt, maar des te meer werden er daardoor ambulant begeleid. In het eerste decennium van deze eeuw verdubbelde het aantal kinderen dat jaarlijks in behandeling was van 125.000 naar 250.000.

Jeugdzorg blijft een onsamenhangend geheel, dat steeds meer geld opslokt. In die situatie kiest de overheid de weg van de minste bestuurlijke weerstand: decentraliseren. Op 1 januari 2015 wordt de jeugdzorg, na aftrek van 450 miljoen euro aan bezuinigingen (en korting van bijna twintig procent op het budget) overgeheveld naar de kleine vierhonderd gemeenten, met als zo-zo-zo-gedachte dat gemeenten dichter bij de mensen staan en in wijkgerichte kinder- en jeugdteams effectiever kinderen en gezinnen kunnen helpen.

Dat pakt niet goed uit, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Dichter bij de mensen worden door wijkteams eerder meer dan minder problemen opgehaald, die met aanmerkelijk minder geld moeten worden aangepakt. Er ontstaat een oerwoud aan tariefstellingen, aanbestedingen en betaalsystemen. Gemeenteambtenaren letten vaak meer op de centen dan op de kinderen. Sterk gespecialiseerde instellingen moeten eindeloos soebatten bij gemeenten om geld. Overal ontstaan nieuwe bureaucratische lagen die zich met elkaar in overal verschillende verantwoordingssystemen moeten zien te verstaan. Er ontstaan wachtlijsten voor complexe hulp. De nood is zo hoog dat minister De Jonge na brandbrieven van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (vng) en wethouders van de partijen die de regeringscoalitie vormen bij de voorjaarsnota dit jaar al zo’n vierhonderd miljoen heeft losgepeuterd bij zijn collega van Financiën. Overigens niet met de erkenning dat er wellicht weeffouten zijn gemaakt in de Jeugdwet die de decentralisatie regelde, maar met een oproep aan de jeugdzorg om nu echt te veranderen.

Heeft dit iets met de commissie-De Winter van doen? Op het eerste gezicht niet natuurlijk, en De Jonge en Dekker zullen zeker hun wenkbrauwen optrekken als er een verband wordt gesuggereerd. Maar wie de geschiedenis van de veranderingen in de jeugdzorg van de afgelopen dertig jaar in ogenschouw neemt kan weinig anders concluderen dat hier opnieuw een vorm van verwaarlozing van kinderen aan de orde is. Niet een verwaarlozing in de vorm van militaire opvoedingspraktijken, zoals in de jaren vijftig. Geen verwaarlozing door onvoldoende toe te zien op de kwaliteit van de jeugdzorg en de rechten van kinderen zoals dat in de jaren zeventig en tachtig aan de orde was. Maar een vorm van verwaarlozing op basis van wat je met een gerust hart systeemgeweld zou kunnen noemen. Het onvermogen om kinderen met serieuze problemen die hulp te bieden waar ze recht op hebben en die wel beschikbaar is. Ze worden niet langer geslagen met de roede of de riem of misbruikt door een psycholoog of psychiater, maar door een bureaucratisch systeem aan hun lot overgelaten.

Dat is niet alleen de schuld van de gemeenten, die onvoldoende competent zouden zijn. Dat is een te gemakkelijke conclusie. Het systeemgeweld is voortgebracht in een decennialange geschiedenis waarin de overheid niet in staat is geweest om heldere kaders te creëren voor de jeugdzorg, met een eenduidige financiering en een goede verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en bovenregionale jeugdzorgaanbieders. De huidige Jeugdwet is grenzeloos. Niemand weet waar de zorgplicht van de gemeente begint en waar die ophoudt. Er is een wildgroei aan lichte hulp: therapie met paarden, huiswerkklassen, mindfulness voor kinderen.

Maar tegelijkertijd komen vormen van specialistische zorg in de knel, dreigen instellingen om te vallen, trekken grote zorgaanbieders als de William Schikker Groep zich terug uit regio’s. Eigenlijk is niet de jeugdzorg gedecentraliseerd, maar het onvermogen van de landelijke overheid om een effectief stelsel neer te zetten, en je hoeft geen futuroloog te zijn om te voorspellen dat daar kinderen het slachtoffer van worden. Zij zijn de gedupeerden van een nieuw soort machteloosheid: het kafkaëske vermogen om het mogelijke onmogelijk te maken.

Daar ligt dan ook het verband met de resultaten van de commissie-De Winter. Het rapport gaat in hoofdzaak over het falen van de overheid. De Jonge en Dekker projecteren dat falen vooral op het verleden dat achter ons ligt. Zij hadden zich echter ware helden van de terugtocht getoond als zij de moed hadden gehad om dat falen ook op het heden en de toekomst te richten. Nu lopen ze de kans om over vijf, tien, vijftien jaar als falende bestuurders in de publieke beklaagdenbank terecht te komen van een nieuwe commissie Geweld in de jeugdzorg. Niet alleen omdat ze de kinderen van IS-strijders ten onrechte en te lang aan hun lot overlieten, maar vooral ook omdat ze weigerden lessen te trekken uit de vele signalen die tot hen kwamen. Zoals dat in het verleden ook steeds het geval was.

donderdag 18 oktober 2018

DUNKS? WAAROM NIET? / OP EUROBASKET 2017 VOOR 'T EERST OOIT NBA FENOMEEN GEORGE MURESAN GESPROKEN / BOJAN 'BOBBIE' MARJANOVIC IS NET ZO GROOT, MAAR BETER


Boban Marjanovic Almost BREAKS THE RIM with 3 Consecutive Thunderous Dunks

Gepubliceerd op 18 feb. 2018

 

dinsdag 31 juli 2018

CITATEN / VK COLUMNIST MIDDENDORP / GEVOEL HEDENDAAGSE SAMENLEVING BOOSHEID: 'Ik was boos op Basic Fit, maar waar moest ik met die boosheid naartoe?' / FRUSTRATIE ONPERSOONLIJKE BUREAUCRATIE / HEDEN TEN DAGE / CARTOONS VK & Fokke&Sukke


CITATEN(Column Volkskrant.nl, Peter Middendorp 6 juli 2018):


"Om redenen die hier buiten beschouwing kunnen worden gelaten, wilde ik laatst weten hoeveel ik weeg. Dus, dacht ik, laat ik de volgende keer in de sportschool eens op de weegschaal gaan staan, een handig apparaat, dat niet alleen vertelt hoe zwaar je bent, maar van alles aan je doorlicht en berekent, je hele zompige textuur, zodat je na afloop altijd wel van iets kunt denken dat het meevalt, bijvoorbeeld je metabolische leeftijd."

&
Bijschrift toevoegen

"Het was wonderlijk, dacht ik later, onderweg naar de Kijkshop aan de overkant van de straat, waar ik een weegschaal kocht – die het niet deed, en de Kijkshop ging failliet – op hoeveel plekken je als mens alleen al op één dag de tyfus kon krijgen. Je hoefde er bijna niets voor te doen. Gewoon blijven staan, zij deden de rest."



De complete VK Column van Peter Middendorp lees je   ---  Hier  --- nog meer VK Columnisten   ---  Hier  ---


Meer op VK.nl over




zondag 6 mei 2018

VK & AD & AART DEKKER / MEMORIAMS RENATE DORRESTEIN(-2018): Schrijfster Renate Dorrestein (64) overleden - Aan haar Boek 'Heden Ik' heb heel veel gehad / ME/CVS

Renate Dorrestein, Foto van VK.nl/Valentina Vos
Zelden heeft een boek mij zo geholpen als -ik denk dat het 1992, 1993 moet zijn geweest- het boek 'Heden Ik' van Renate Dorrestein.

Zij had ME/CVS, en schreef er een boek over. En dat boek hielp mij -en vele medepatiënten- zeer; twee keer zelfs:
1) doordat ik voordat mijn vriend Paul Burghouwt me ergens begin jaren '90 mij het boek gaf, en zei "Hier, moet je lezen; gaat over jou!", nog nooit van ME/CVS had gehoord...maar ik had het wel. En 'weten wat je hebt' als het niet goed met je gaat is essentieel. Het boek zorgde daarvoor, en gaf veel 'Aha-momenten'; mijn ervaringen deelde ik met vele anderen, dat nam veel twijfel en frustratie weg.

2) Nederland is wat betreft 'Onbegrepen Ziekten' bepaald geen barmhartig land -in tegenstelling wat ik in andere landen, in 1998 bijvoorbeeld al in de Verenigde Staten, merkte- er is hier nauwelijks aandacht en begrip voor mensen in zo'n moeilijke medische toestand, en er heerst een sfeertje van 'wat de boer niet kent, dat vreet'ie niet'; met andere woorden; als mensen er geen kennis van hebben, geen ervaring mee hebben, en het wordt als 'vaag', of 'onbegrepen' beschouwd, dan kunnen veel mensen zich ook helemaal niet voorstellen dat het henzelf ook zou kunnen overkomen, dan ontstaat er al gauw iets van 'doe niet zo moeilijk' of 'het zal wel aan jezelf liggen', of 'het is vast psychisch!' En die mentaliteit strekt zich ook uit tot medisch specialisten die er geen kennis van hebben, en -het ergst van allemaal- tot keuringsartsen en hun leidinggevenden.

Ik zal niet zover gaan dat ik stel dat Renate Dorrestein dat met 'Heden Ik' allemaal veranderd heeft, want ruim 20 jaar later speelden deze problemen allemaal nog steeds, maar ze heeft wel het eerste baanbrekende stapje gemaakt; het boek bracht begrip bij velen die het lazen, en zo langzaam aan kwam er mede daardoor meer begrip.

Maar naast dit specifieke persoonlijke punt, Renate Dorrestein was natuurlijk ook gewoon een hele goede schrijfster!

AART DEKKER

AD:

video

Schrijfster Renate Dorrestein is overleden. Haar uitgeverij Podium heeft dat bekendgemaakt. Ze leed aan slokdarmkanker en overleed vrijdagavond in het bijzijn van haar dierbaren in haar woning in Aerdenhout. Dorrestein is 64 jaar geworden.

Volkskrant:

Meer artikelen van VK.nl over Renate Dorrestein   ---  Hier  ---

Schrijfster Renate Dorrestein (64) overleden


Schrijfster Renate Dorrestein is op 64-jarige leeftijd overleden. Haar uitgeverij Podium heeft dat bekendgemaakt. Ze leed aan slokdarmkanker en overleed vrijdagavond in het bijzijn van haar dierbaren in haar woning in Aerdenhout. Dorrestein is 64 jaar geworden.

De schrijfster begon in de journalistiek. In 1983 verscheen haar eerste roman, Buitenstaanders. Er zouden er nog tientallen volgen. In 1997 schreef Dorrestein het Boekenweekgeschenk Want dit is mijn lichaam.
Haar werk werd gepubliceerd in diverse andere landen. Zo werd de roman Een hart van steen (1998) onder meer vertaald in het Engels, Spaans, Duits, Fins, Deens en Kroatisch. In 2014 kwam er nog een speciale editie van uit om te vieren dat inmiddels ruim 200.000 exemplaren waren verkocht.

Voor haar hele oeuvre ontving Renate Dorrestein in 1993 de Annie Romein Prijs, tegenwoordig de Opzij Literatuurprijs.

Nog maar enkele weken geleden publiceerde ze de autobiografie Dagelijks werk. 'Dit wilde ik nog gaan maken: een literaire autobiografie, een boek over mijn dilemma's en mijn oplossingen, mijn uitglijers en mijn meevallers: een persoonlijk, intiem boek dat zou laten zien hoe ik de schrijfster werd ben die ik nu ben', schreef Dorrestein.


'Het is zó moeilijk voor te stellen dat ik er straks niet meer ben'



'Klassieke verhalenverteller Renate Dorrestein liet ons zien waartoe mensen in staat zijn', schrijft Aleid Truijens in het postuum van Renate Dorrestein. Lees het hier.

In september 2017 interviewde Wilma de Rek Renate Dorrestein
. Ze was net klaar met haar laatste boek en wist dat ze niet lang meer te leven had. (+)

Haar laatste boek is geen roman geworden. Renate Dorrestein ontdekte al opruimend zoveel spannends in haar huis dat er iets heel anders ontstond. Lees hier een fragment uit Dagelijks werk terug.