‘Conservatisme’ is een glibberig begrip. Wat ermee bedoeld wordt hangt af van wat men wil conserveren, van het soort verandering dat men wil terugdraaien of juist versnellen. Want wat wil de conservatieveling behouden? Een christelijke deugd of een pre-christelijke schaamteloosheid? Een dorpse rust of een VOC-mentaliteit? Met wat selectieve geschiedschrijving kan iedereen zich conservatief kleden – als hedonistische dandy, nette aristocraat, of als een burcht bestormende Viking. Dus ja, wat is conservatisme? De vraag is actueel. Onze tijd is die van conservatieve techno-utopisten en revolutionaire behoudzucht. Allerlei conservatieve partijen, in Nederland en daarbuiten, hangen een ander verleden en toekomstbeeld aan. Wat bindt hen?

In dit nummer (pagina 36) biedt politicoloog Joris Melman ons de gelegenheid deze thema’s vanuit een nieuw perspectief te bezien. Hij vertelt over het onwaarschijnlijke leven en werk van de beruchte Duitse oorlogsschrijver, filosoof en zoöloog Ernst Jünger (1895-1998) – en de Konservative Revolution waar hij na de Eerste Wereldoorlog deel van uitmaakte.

Jünger was een jonge, in onderscheidingen gehulde veteraan toen in 1920 zijn eerste, overrompelende boek verscheen. In In Stahlgewittern konden zijn landgenoten lezen over die zachte ondergrond waarover hij als soldaat zo vaak had moeten rennen, zo zacht dat hij zich aanvankelijk, al rennend en onder de begeleiding van oorverdovend kanongebulder, afvroeg: waarom is de grond zo zacht? Het antwoord kwam later. Lijken. Een hele generatie Duitsers had over kameraden moeten rennen.

Jünger groeide direct uit tot een filosofische gids voor een gedesillusioneerde generatie. Hij betoogde dat die zinloze oorlog ook zin had gehad, iets had getoond. Het geweld had vriend en vijand verslonden, maar het had ook een venster geboden op grootsheid en moed, op wat mensen onder extreme omstandigheden in hun mars hebben, op de broederschap die dan ontstaat – op dat wat de nette burgermaatschappij hun ontzegt. In Stahlgewittern was daarmee zowel een aanklacht tegen als een ode aan het oorlogsgeweld.

De huidige interesse van onder meer Elon Musk en Maga in Jüngers erfenis verklaart Melman aan de hand van Jüngers techniekfilosofie. De oorlog had volgens Jünger immers getoond dat de moderne wereld en haar oorlogen onvermijdelijk door techniek gedomineerd zullen worden, maar ook dat menselijke grootsheid te midden van alle bouten en moeren een rol zal kunnen blijven spelen. Melman laat zien dat Jüngers techno-optimisme goed bij Silicon Valley past.

Maar zou er niet ook iets breders kunnen meespelen in Jüngers huidige aantrekkingskracht, iets wat prominent aanwezig was in zijn ‘conservatieve revolutie’? Zijn conservatisme ging namelijk niet over het herstellen van een of ander verleden, maar over een esthetisering van politiek en leven – en ook dat trekt Maga-esque figuren.

Volgens Ernst Jünger ontbrak het de democratische wereld aan levenskunst. Waar waren moed en volharding gebleven? Vandaag appelleert Jüngers conservatisme in diezelfde geest aan een wereld van programmeurs en ondernemers die niet alleen willen programmeren en ondernemen, maar ook willen ‘strijden’ en winnen, die verlangen naar schisma en bandeloosheid, naar een dramatisering van het leven.

Wat Jünger ons leert is dat de moderne waardering van regel en recht ook leidt tot een verlangen naar dramatiek, offer en schoonheid, en dat het zaak is deze behoeften te erkennen, juist zodat antidemocratische narcisten geen monopolie verkrijgen op de esthetiek van strijdlust en doorzettingsvermogen. Die beeldtaal trekt nou eenmaal mensen aan. Laat onze democratie daarom ruimte bieden aan een strijdvaardige vrede en dappere deugden. Aan politieke esthetiek.

En dat kan. De VS en Rusland dreigen de EU aan te vallen en die dreiging maakt onze manieren van leven, onze pluriforme democratie, onze welvaart en onze vrienden tot symbolen – symbolen die eervol verdedigd kunnen worden. Een ander soort conservatisme.