Basketball Champions League 2021-22
Draw explained
5 jul. 2021
Mijn Passie? Delen(want 'Gedeelde Vreugd=Dubbele Vreugd & Gedeelde Smart=Halve Smart).Zie mijn Blog-bijdragen dus als mijn middel om wat me interesseert te delen. Als Links, Reposts, en regelmatig in de vorm van Column, Analyse of Commentaar & al dan niet bijtend, ironisch, of roerend statement. Mijn intentie is iedere dag iets van waarde door te geven... Ik krijg ook graag feedback; dus Volgen en Reageren stel ik zeer op prijs!
5 jul. 2021
#AiméeDeJongh #Striptekenaars #Taxi
tripmaker en animator Aimée de Jongh is inmiddels internationaal ook een bekende naam aan het worden. Geheel terecht natuurlijk, want De Jongh is een van de grootste stripmakers van Nederland. Daarom ben ik blij dat ik we elkaar spraken over haar nieuwe boek TAXI: VERHALEN VANAF DE ACHTERBANK en haar samenwerking met de Belgische scenarist Zidrou, waar ze BLOESEMS IN DE HERFST mee maakte.
Meer Aimée krijg je op haar website: https://aimeedejongh.wordpress.com/
*
![]() |
Aimeé de Jongh |
Striptekenaar Aimée de Jongh In 2018 brak Aimée de Jongh internationaal door. Haar nieuwe grahic novel, Dagen van zand, verschijnt nu in vier landen. „Ik schuif eindeloos om elk korreltje zand op zijn plek te krijgen.”
NRC.nl Ron Rijghard 2 juni 2021 Leestijd 7 minuten
‘Vijf jaar geleden zag ik een foto van een stofstorm: kleine huisjes middenin een vloedgolf van stof. Ik dacht: Wow, wat is dit? Dat ben ik gaan uitzoeken.”
Het bleek een foto uit de tijd van de Dust Bowl, de aanduiding voor een periode van extreme droogte op de prairievlakten in de Verenigde Staten en Canada in de jaren dertig. Bodemerosie leidde tot kolossale stofstormen en tot massale migratie van boeren en seizoensarbeiders uit Oklahoma en aangrenzende staten naar Californië. John Steinbeck beschrijft de gevolgen in zijn roman The Grapes of Wrath (1939). Beroemd is ook de foto Migrant Mother¸ van een bestofte moeder met kleine kinderen, van Dorothea Lange.
Over hoe de mensen in de Dust Bowl leefden en leden schreef en tekende Aimée de Jongh haar nieuwe graphic novel, Dagen van Zand. Hoofdpersoon van haar verhaal is een jonge fotograaf, gemodelleerd naar de fotografen die de crisis documenteerden.
Alle foto’s die ze vond waren in zwart-wit. „Er moet kleur in, dacht ik. In dagboeken uit die tijd las ik dat de lucht oranje, geel of groen was, en de zon felrood. Zulke natuurfenomenen leken me supermooi om te tekenen. De zandstorm deed denken aan De Grote Golf van Hokusai. Met die visuele inspiratie begon ik aan het boek.”
Dagen van zand, met een cover in smeulend oker, is de vierde graphic novel van de 32-jarige Rotterdamse. Met Bloesems in de herfst, een teder liefdesverhaal over een man en vrouw op leeftijd, naar een scenario van de Belgische topauteur Zidrou, brak ze in 2018 internationaal door. In Frankrijk, het mekka van de Europese strip, was het boek een bestseller. Ook opvolger Taxi, over haar ontmoetingen en gesprekken met taxichauffeurs over de hele wereld, kreeg jubelende kritieken in de Engelstalige pers.
In haar huis in Rotterdam-Noord serveert ze taart op de dag dat het boek uitkomt, bij gebrek aan een boekpresentatie. Op tafel ligt de Franse editie, want ze heeft een Franse uitgever, Dargaud. Interviewers van de Franse kranten Le Figaro en Le Soir zijn NRC een dag eerder voorgegaan, vertelt ze. Met Dagen van zand bestendigt De Jongh haar internationale allure.
In de strip krijgt de jonge fotograaf opdracht om in Oklahoma de misère in de Dust Bowl vast te leggen: hongerige kinderen, vertrekkende families, onder zand begraven en verlaten huizen en de stofstormen. Het werk grijpt hem meer aan dan hij verwachtte en dat leidt tot een radicaal besluit.
Waarom is de hoofdpersoon fotograaf?
„De foto van de Migrant Mother heeft mij altijd diep geraakt, als een moeder Maria met Jezus of een Mona Lisa. In Parijs zag ik in 2017 een tentoonstelling van Walker Evans, een van de fotografen van de Dust Bowl en toen was ik om. Daar lagen ook interviews met mensen die hij had gefotografeerd. Ze klaagden dat ze het poseren niet leuk vonden, want ze mochten niet lachen, en dat ze nooit meer iets van Evans hadden gehoord. Terwijl de foto’s hem beroemd hadden gemaakt. Hun tegenzin en het feit dat foto’s een eigen perspectief en enscenering hebben, met een reductie van de werkelijkheid, gaf ik een plek in mijn boek.”
Lees ook: Foto’s van Amerika in crisistijd
Interesseren arme mensen je inhoudelijk of als tekenonderwerp?
„Oef, dat is een gewetensvraag. Allebei. De voorgeschiedenis van de armoede interesseerde me mateloos. Het is de tijd van The Great Depression, maar ook een verhaal over de rampzalige omgang met de aarde. Die link met het heden zag ik ook: holy shit, het is 90 jaar later, maar we hebben precies dezelfde problemen: klimaatverandering, klimaatvluchtelingen, economische crisis. Niet dat ik een klimaatboek wilde maken. De lezer zal zelf de parallel leggen.”
Mooi detail zijn de kranten aan de muren als bescherming tegen stof.
„Dat zag ik op foto’s en in een museum over de Dust Bowl in Oklahoma, waar ze de inrichting van een huis uit die tijd hadden nagebouwd: kranten aan de muur, borden en kopjes op hun kop tegen het stof.
„Zulke details geven de lezer het gevoel dat ik goed research heb gedaan. Dat heb ik zelf ook graag bij boeken met een historische achtergrond. Dat geeft vertrouwen. En de foto’s uit die tijd zijn fantastisch. Die moet iedereen zien.”
Hoe heb je dit alles kleur gegeven?
„Ik heb gekozen voor aardse kleuren, vooral bruin, oranje, geel en groen. Het enige wat soms afwijkt is het paars van de donkerende avond. De gele luchten zag ik op foto’s van zandstormen in Afrika. Het is ander zand, dus ik weet niet of dat correct is. Maar ik vind het mooi.”
De inkleuring is schitterend, net als bij ‘Bloesems in de herfst’. Dat is een aparte kwaliteit van je geworden.
„Hoe dat bij Bloesems ging, was eigenlijk verschrikkelijk. Ik had een inkleurder ingehuurd, maar het was niet goed. Vlak en hard, terwijl ik het effect van waterverf wilde. Ik kon het ook niet uitleggen. Toen heb ik het zelf maar gedaan, in vier maanden. Het is een vak apart. Maar door die ervaring ging het nu vrij makkelijk.”
Het deed denken aan de zachte tinten in ‘Portugal’ van Cyril Pedrosa.
„O ja? Maar dan heb je het ook wel over iemand. Ik heb vaak in dat boek gekeken. Hij laat zien hoeveel kleur kan zeggen. Soms kleurt hij opzettelijk naast de lijnen en toch werkt het. Het wordt niet lelijk, eerder kunstzinnig. Zo te experimenteren, zou ik niet durven.” Ze lacht: „Ik werk netjes binnen de lijntjes.”
Hoe teken je een zandstorm?
„Ik begon met zwart, net als bij de andere tekeningen. Toen zag ik dat als ik het zwart transparanter maakte er ruimte en afstand ontstond.” De Jongh wijst op een tekening van een pagina, met een man en wat huizen in een oranjezwarte zandstorm. „Het lijkt daardoor alsof er veel lucht en zand tussen jou en het huis op de achtergrond zit. Dit is een bestand van twintig lagen over elkaar heen. Daar kan ik op de computer mee schuiven om de kleur feller of donkerder te maken en om elk korreltje op zijn plek te krijgen.
„Deze techniek noemen ze atmosferisch perspectief. De voorgrond is zwart of donker en hoe verder weg iets is, hoe lichter. Dat geeft het effect dat er iets in de lucht hangt.”
Emoties geef je weer met heel weinig. Hoe werkt dat?
„Dat heeft een esthetische reden. Met meer detail, meer realisme, wordt het beeld mij te vol. Charles Schulz tekent in Peanuts een emotie met twee puntjes. Is Snoopy boos dan zijn het twee punten met een streep erop. Naar dat minimalisme, die simpelheid, streef ik ook.”
Daar mag je dan geen millimeter naast zitten.
„Nee, nee. Als je zou zien hoe dat gaat… Ik zet een streepje voor het mondje, kijk ernaar en denk dan: nee, dit is het niet. Dan gum ik hem weg en dan doe ik hem opnieuw. Soms acht keer. En dan denk ik: die van twee keer geleden was beter. Op de computer kan ik dan gelukkig makkelijk terug.”
Wat is John, je hoofdpersoon, voor jongen?
Eigenlijk zoals in ieder boek van mij is het iemand die erg op mij lijkt. Jong, ondernemend, een beetje naïef. Veel wat hem overkomt, is ook in mijn leven is gebeurd. Ik ben in 2017, voor NRC, naar Lesbos gegaan voor een stripjournalistiek verslag over de vluchtelingenkampen. Dat was een life changing experience. Ik had het er daarna heel moeilijk mee. Als ik boodschappen deed, dacht ik: waarom kan ik een brood kopen, terwijl zo’n vrouw met twee kindjes op de arm in een vluchtelingenkamp niet eens stromend water of een wc heeft? Als ze ongesteld is, heeft ze pech. Ik voelde een enorme schuld. Het werd me duidelijk dat ik veel te emotioneel betrokken ben. Als journalist moet je afstand kunnen nemen. Dat is wat John ook niet kan.
„Het was overigens een journalist die me daar onlangs op wees. Ik heb het niet vooraf op die manier bedacht.”
Johns relatie met zijn vader is problematisch. Komt dat ook overeen?
„Nee, ik heb geen slechte jeugd gehad. Mijn vader is aan kanker overleden toen ik negentien was en hij werd ziek toen ik veertien was. Vanaf het begin wisten we dat het ongeneeslijk was, dus we hebben vijf jaar geleefd met de dood. Precies in mijn vormende jaren. Ik heb dus nooit een band met mijn vader gehad zoals de meeste andere tieners. Zijn ziekte was er altijd. Dat is een gemis.”
Hoe ging je daar mee om?
„Ik sloot me op in mijn kamer en ging alleen maar tekenen. Dat is waarschijnlijk waarom ik het nu zo goed kan. Ik wilde de confrontatie niet opzoeken. Het is de story of my life: de confrontatie met mensen uit de weg gaan.”
Waarom koos je tekenen als uitweg?
„Ik heb altijd getekend. Als kind ook. Veel kinderen tekenen, tot het niet meer cool is, maar ik ben het blijven doen. Het is een natuurlijke impuls, lekker tekenen. Ik schreef ook en bedacht verhaaltjes.”
En nu kan je er van leven?
„Ja. Al moet ik er wel illustratie- en animatieopdachten naast doen, want aan dit boek heb ik drie jaar gewerkt. Het komt uit in Zwitserland, Frankrijk, België en Nederland. Er ligt een Engelstalige versie klaar, maar ik moet nog een uitgever kiezen uit de aanbiedingen uit Engeland en Amerika.
„Van Bloesems in de herfst zijn er in Frankrijk ongeveer twintigduizend exemplaren verkocht. Nu is de eerste druk vijfduizend stuks. Voor strips is dat heel veel.
„Als er een boek uitkomt, zorgt mijn Franse uitgever voor signeersessies in België en Frankrijk en dat is fantastisch. Hoe je dan behandeld wordt! Als een soort ster. Alles wordt vergoed en geregeld, taxi’s, hotels, eten. De eerste keer was bij mijn vorige boek. Ik kwam aan op het station en daar stond iemand met zo’n bordje met je naam erop. Toen dacht ik: dat bordje wil ik mee naar huis nemen, want dit gaat me nooit meer gebeuren. Maar het gebeurt elke keer.
„Dat typeert de stripwereld in Frankrijk. Je voelt je een auteur die er mag zijn en die mag genieten. Ik zeg niet dat Nederlandse uitgevers dat niet willen, maar ze hebben er niet de middelen voor.”
Gaat dat nog veranderen?
„Ik heb in de afgelopen jaren nauwelijks verandering gezien in de Nederlandse stripwereld. De kloof tussen de oude garde, de mannen met de linnen tasjes, en de jongeren, die vooral queer comics maken, is onoverbrugbaar. Daartussen zitten dertigers en veertigers, zoals ik, maar in die leeftijdsklasse zijn stripmakers op één hand te tellen. En we willen allemaal wat anders. Het enige dat helpt is mooie boeken maken. Daar richt ik me dan maar op.”
Aimée de Jongh: Dagen van zand. Scratch Books, 288 pag. € 29,90
“......
Op dat punt begint Evil Geniuses van Kurt Anderson. Hij laat zien hoe rechts zich hergroepeerde na de culturele revolutie van de jaren zestig. Geïnspireerd door ‘kwaadaardige genieën’ als de econoom Milton Friedman, goeroe van de privatisering, en Grover Norquist, gangmaker van een belastingprotest dat de staat Californië aan de bedelstaf bracht. De verkiezing van de immer montere Reagan bezegelde de ommekeer. De Gipper slaagde erin groepen die de dupe werden van zijn beleid, mee te nemen in zijn droom van een ‘nieuw ochtendgloren’.
De statistieken en cijfers die Andersen aandraagt, zeggen het onverbloemd: het modale inkomen van Amerikanen is sindsdien gestagneerd, pensioenen en ziektekostenverzekeringen zijn geprivatiseerd, sociale mobiliteit is in Amerika vrijwel tot stilstand gekomen, intussen werd het hoogste belastingtarief voor de superrijken gesnoeid van 70 tot 28 procent. Voeg daarbij de kredietcrisis die talloze Amerikanen het faillissement injoeg, en de ellende is compleet.
Dat heeft ook geleid tot culturele stagnatie. Amerika is volgens Andersen nu al decennia gevangen in een nostalgische loop op televisie, in film, muziek en mode. De gevolgen van de Reagan-revolutie (inclusief een snelle toename van obesitas, door de liberalisering van de fastfood-markt) gaat gepaard met een zucht naar geborgenheid in een geïdealiseerd verleden.....
.....”
*
- Kurt Andersen: 'Evil Geniuses. The Unmaking of America'
- Thomas Frank: 'People Without Power'
- Michael Lind: 'The New Class War. Saving Democracy from the Metropolitan Elite'
Populisme in de VS Drie vooraanstaande Amerikaanse journalisten kritiseren het neoliberalisme dat hun samenleving heeft gespleten. Het populisme dat volgde is niet zomaar ongeciviliseerd irrationalisme.
Sjoerd de Jong 15 oktober 2020 Leestijd 4 minuten
Zijn ze allemaal opeens knetterlinks geworden, die Amerikanen? Komen ze er nu achter dat het ‘land van onbeperkte mogelijkheden’ is gaan lijken op een bidonville, met zinken daken en diepe scheuren in het asfalt?
Het lijkt erop, als je de nieuwe titels leest van drie vooraanstaande Amerikaanse journalisten. Alle drie stellen ze dat het land ten prooi is gevallen aan een neoliberalisme dat de sociale consensus uiteen heeft doen spatten. Michael Lind, auteur van opiniestukken en hoogleraar Publieke Zaken, spreekt van een ‘nieuwe klassenoorlog’. Thomas Frank, bekend van zijn boek over gewezen Democratische kiezers (What’s the Matter with Kansas?, 2004), vaart uit tegen de linkse elite die van ‘populisme’ een scheldwoord heeft gemaakt. En Kurt Andersen, die in Fantasyland (2017) de Amerikaanse hang naar fantasie en ‘magisch denken’ onderzocht, inventariseert de sociale kaalslag sinds de grote privatisering en deregulering van de jaren tachtig.
Alle drie schrijven ze, in wisselende doses, een remedie voor. Andersen pleit voor hervormingen naar Europees model, Frank wil populisme ontdoen van zijn slechte naam, Lind zoekt naar ‘democratisch pluralisme’. En alle drie hebben ze een eigen aanpak: Frank schreef een polemische geschiedenisles, Andersen een brede culturele diagnose, en Lind vooral een lang opiniestuk.
Voor Nederlandse lezers zal Frank het meest verrassend zijn. In People Without Power verzet hij zich tegen de stigmatisering van populisme als rancuneus, rechts, racistisch of zelfs fascistisch. Integendeel, echt Amerikaans populisme is juist links en democratisch, meent hij, een egalitair verzet tegen de macht van elites. Hij onderbouwt dat met een beknopte geschiedenis van de Populistische beweging in de VS eind negentiende eeuw. Die coalitie van arbeiders, lokale politici en progressieve intellectuelen leidde tot de oprichting van een Volks Partij (1891) voor sociale en economische hervormingen, bedoeld om de macht van industriële tycoons en politieke oligarchen te breken.
Van de weeromstuit maakte die elite het populisme verdacht als een uitbraak van ongeciviliseerd irrationalisme, een ‘opstand der horden’. Zoals Hilary Clinton dat een eeuw later zou doen met haar dédain voor deplorables. Thomas Frank noemt ook de hippies-op-wielen film Easy Rider (1969), in zijn ogen ook een toonbeeld van minachting voor het gewone, on-hippe volk. Het is de tragiek van het Amerikaanse populisme, meent hij: een democratische beweging die eerst werd verketterd door een rechtse elite, daarna door een linkse. Met als resultaat dat het etiket nu is gekaapt door revolutionair rechts, dat juist het tegendeel nastreeft van de oorspronkelijke populisten, namelijk: maatschappelijke ongelijkheid in stand houden en vergroten.
Het had anders kunnen lopen, meent Frank. Weliswaar kwamen de populisten destijds niet aan de macht, hun invloed deed zich wel sterk gelden onder progressieve presidenten als Woodrow Wilson en Franklin D. Roosevelt. De New Deal waarmee Roosevelt in de jaren dertig de VS uit de crisis trok, was een ‘socialistisch’ programma van overheidsinterventie dat de basis legde voor veertig jaar sociaaleconomische stabiliteit en gelijkheid. Die werd pas weer doorbroken in de jaren tachtig met de Reagan-revolutie, die het funeste idee vestigde dat overheidsregulering de vijand was.
Op dat punt begint Evil Geniuses van Kurt Anderson. Hij laat zien hoe rechts zich hergroepeerde na de culturele revolutie van de jaren zestig. Geïnspireerd door ‘kwaadaardige genieën’ als de econoom Milton Friedman, goeroe van de privatisering, en Grover Norquist, gangmaker van een belastingprotest dat de staat Californië aan de bedelstaf bracht. De verkiezing van de immer montere Reagan bezegelde de ommekeer. De Gipper slaagde erin groepen die de dupe werden van zijn beleid, mee te nemen in zijn droom van een ‘nieuw ochtendgloren’.
De statistieken en cijfers die Andersen aandraagt, zeggen het onverbloemd: het modale inkomen van Amerikanen is sindsdien gestagneerd, pensioenen en ziektekostenverzekeringen zijn geprivatiseerd, sociale mobiliteit is in Amerika vrijwel tot stilstand gekomen, intussen werd het hoogste belastingtarief voor de superrijken gesnoeid van 70 tot 28 procent. Voeg daarbij de kredietcrisis die talloze Amerikanen het faillissement injoeg, en de ellende is compleet.
Dat heeft ook geleid tot culturele stagnatie. Amerika is volgens Andersen nu al decennia gevangen in een nostalgische loop op televisie, in film, muziek en mode. De gevolgen van de Reagan-revolutie (inclusief een snelle toename van obesitas, door de liberalisering van de fastfood-markt) gaat gepaard met een zucht naar geborgenheid in een geïdealiseerd verleden.
Sindsdien woedt in Amerika een nieuwe ‘klassenoorlog’, concludeert (niet-marxist) Lind in The New Class War. Ook hij bewondert Roosevelt, en ook hij verzet zich tegen het ‘technocratische neoliberalisme’ dat ‘van bovenaf’ een revolutie heeft ontketend. Ook hij hekelt de stigmatisering van populistische kiezers als racisten of halve en hele nazi’s. Maar in tegenstelling tot Frank ziet Lind geen heil in revitalisering van links populisme; in plaats daarvan pleit hij voor ‘democratisch pluralisme’, een begrip dat helaas mooier klinkt dat hij in dit boek waarmaakt met slogans over machtsdeling en inspraak.
Dat deze auteurs zo nadrukkelijk stelling nemen, maakt hun boeken stuk voor stuk prikkelend. Het heeft ook nadelen. Zo heeft Andersen geen oog voor de keerzijde van de economische consensus die nog in de jaren zeventig in de VS bestond, zoals overregulering en inefficiëntie. Milton Friedman kwam niet zomaar uit de lucht vallen. In zijn ijver om het populisme te rehabiliteren heeft Frank op zijn beurt te weinig oog voor de duistere kanten daarvan. Hij gaat voorbij aan het diepe racisme dat ook bij Amerikaanse vakbonden leefde, zeker toen in de jaren twintig de ‘grote migratie’ van zwarte arbeiders naar het Noorden op gang kwam, onder druk van aanhoudend wit geweld en terrorisme in het Zuiden.
Frank hanteert dan ook een te flatteus idee van Amerikaans populisme. Dat is democratisch en ‘onverzettelijk optimistisch’, eerder schatplichtig aan Thomas Jefferson en aan Thomas Paine dan aan Karl Marx. Op de keper beschouwd is dat een herformulering van het aloude Amerikaanse zelfbeeld: altijd monter en solidair met de toekomst.
Bovendien besteedt Frank nauwelijks aandacht aan de verhouding van de Populisten tot expliciet marxistische organisaties in de VS. De Amerikaanse Communistische Partij (opgericht in 1919) speelde tot de Koude Oorlog een grote rol in arbeidsconflicten en protesten tegen racisme en segregatie (die pasten in Sovjetpropaganda over het kapitalisme).
Lind is kritischer over het populisme, maar ook hij is te ongeclausuleerd in zijn lof voor oude helden. Hij prijst Woodrow Wilson om zijn strijd tegen big business, maar vermeldt er niet bij dat de president, een bewonderaar van de Ku Klux Klan, de federale overheid probeerde te segregeren.
Hoe verder? Uit de boeken spreekt een hang naar het gematigde kapitalisme en de verzorgingsarrangementen in Noordwest-Europa. Andersen hoopt dat de pendule na vier decennia deregulering naar de andere kant zal uitslaan. Alle drie bevestigen ze nog eens wat vier jaren in de Trump-carrousel duidelijk hebben gemaakt: het land heeft dringend nieuwe stabiliteit en richting nodig, wil het niet afglijden naar de schroothoop van vergane wereldmachten.
Kurt Andersen: Evil Geniuses. The Unmaking of America.
#OfficialMusicVideo #Madonna #Frozen
*
Niet om het een of om het ander,
en niet alleen nu, maar eigenlijk al zolang deze song uit is;
een prachtig nummer van Madonna, dat me altijd weer raakt...
Zap De beloften (VPRO) toont de onbekookte bravoure van zeven sporttalenten op weg naar ‘Tokio’. Minstens zo belangrijk als de fysieke prestatie, blijkt keer op keer de onbreekbaarheid van de wil.
Arjen Fortuin 2 juli 2021 Leestijd 2 minuten
Weinig is zo onweerstaanbaar als een jonge sporter. Onaangetast door grotemensentwijfel roepen ze dat ze de beste zijn, zonder schroom reiken ze naar het allerhoogste. Wanneer de vijftienjarige kogelstoter Alida van Daalen van haar moeder en coach, oud-atlete Jacqueline Goormachtigh, op het gras van het trainingsveld te horen krijgt er „zeker zestien meter” nodig zal zijn voor een zege, bromt het kind met één been in de ergernis: „Nou, ik ga gewoon winnen.”
Later in de wedstrijd zien we wat Alida zo graag buiten de deur wilde houden: de wetenschap dat je niet zomaar zestien meter gooit. Haar gezicht versipt na haar eerste worp en nog verder na de tweede. „Risico nemen!” roept Goormachtigh van de kant. „Al vlieg je eroverheen!” En inderdaad, nu lukt het. Meteen nadat de kogel is geland, verovert een kolossale opluchting het gezicht van de vijftienjarige. De bevrijding transformeert tot intense vreugde als ze het scorebord ziet. ‘Gewoon’ gewonnen.
De beelden van Alida van Daalen (nu 19) bij de Jeugd Olympische Spelen zijn al een paar jaar oud. Regisseurs Xena Maria Evers en Victor Vroegindewij volgen al sinds 2017 zeven jonge sporters die hun zinnen hadden gezet op de Olympische Spelen van Tokio. Van de documentaireserie De beloften (VPRO) die dat opleverde werd donderdag het eerste deel uitgezonden. Van Daalen spreekt daarin ook de ambitie uit om een boegbeeld te worden voor de werpnummers in de atletiek, zoals Dafne Schippers dat is voor de sprint.
Onder de onbekookte bravoure zit voor de kijker de zekerheid dat niet al deze zeven talenten daadwerkelijk naar Tokio zullen mogen. „Als je in de weg staat voor mijn Spelen dan wals ik over je heen. Dan ben je mijn vijand,” bluft de jonge judoka Simeon Catharina. Op zijn buik heeft hij de datum getatoeëerd waarop hij wereldkampioen bij de junioren werd. „Ik heb nog niet echt een mannenlichaam”, zegt hij. Dat klinkt trouwens wat gek uit de mond van een krachtpatser naast wie de meeste Nederlandse mannenlichamen verbleken tot iets insectachtigs.
Wat hij bedoelt, is dat hij erg op zijn gewicht moet letten om niet uit zijn gewichtsklasse (tot honderd kilo) te groeien. In noodgevallen gaat hij voor een wedstrijd een paar uur zweten in de sauna. Zijn moeder ziet intussen met lede ogen toe hoe weinig rijst haar zoon opschept. Zij heeft toch al oog voor de schaduwzijden van „de goede zaak”: ze kunnen de topsportcarrière van hun zoon bijna niet betalen.
Dat speelt minder bij skateboardster (ja, dat is een Olympische sport) Roos Zwetsloot die zichzelf betitelt als „een kakmeisje in een jongenssport”. Zij wordt door de op het oog nauwelijks oudere bondscoach Sjoerd in een BMW-cabrio opgehaald om een nieuwe wedstrijdbaan te testen. Het blijkt slechts een gedeeltelijk genoegen: „Er zitten gewoon bulten in!”
De beloften bestrijkt in alle opzichten een breed spectrum, waarbij steeds weer blijkt dat op dit niveau het belangrijkste talent van de topsporter zijn of haar geestelijke kracht is. Zo horen we zwemmer Nyls Korstanje, die op zijn elfde al werd geprezen in een column van Pieter van den Hoogenband, met veel zelfkennis zeggen: „Ik heb niet de grootste handen, ik ben niet de langste en ik ben niet de sterkste, maar willen verbeteren is mijn grootste talent.”
Hij heeft zich inmiddels geplaatst voor de Spelen, al weet je dat in de eerste aflevering van De beloften nog niet. Het is ook de hoofdzaak niet. Dat is de vreugde-explosie van de vijftienjarige Alida als ze al haar verzwegen twijfel zestien meter van zich af heeft had geworpen.
*
pulsvisserijverbod
Donderdag 1 juli was het de eerste dag dat de Nederlandse pulsvissersvloot werkloos in de havens moest blijven liggen. Sinds die dag is het vissen met stroomstootjes in de Europese Unie namelijk verboden. Daaraan ging een lang debat vooraf over de vermeende voor- en nadelen. De tegenstanders van pulsvissen wonnen de slag in Brussel, mede dankzij de term ‘vissenelektrocutie’. Een hard gelag voor de Nederlandse pulsvissers, die tonnen hebben geïnvesteerd in pulsmaterieel, en nu weer terug moeten naar het alternatief, de ‘boomkor’ die met kettingen over de bodem sleept.
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevat meningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groep redacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer een handvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Dat de pulsvissers het in Brussel hebben afgelegd tegen de traditionele manier van vissen, heeft niet alleen te maken met een verloren duurzaamheidsdebat, zo bleek deze week. De NOS onthulde dat ambtenaren van het ministerie van Landbouw willens en wetens misleidende informatie gestuurd hebben naar Brussel in een poging de pulsvloot te redden.
Lees ook dit artikel: Nederland misleidde Europese Commissie
ten gunste van de pulsvisserij
Zo verdubbelde Nederland in 2011 nagenoeg zijn hele pulsvisvloot (van 22 naar 42 schepen), nadat toenmalig staatssecretaris Henk Bleker (CDA) toestemming van Brussel had gekregen om ‘wetenschappelijk onderzoek’ te doen met twintig boten. Brussel ging er daarbij van uit dat dit met de bestaande boten zou worden gedaan, maar Bleker gaf twintig nieuwe boten een vergunning. Ook de oorspronkelijke pulsvloot van 22 was al met creatief rekenwerk tot stand gekomen. Een ambtenaar noemde de exercitie „het verdubbelen van een toch al zeer dubieus aantal”.
Het Europese landbouwbeleid is traditioneel de plek waar nationale belangen binnen de Unie het hardst botsen. De Unie geeft het grootste deel van haar budget uit aan landbouwsubsidies. Bescherming van de eigen agrarische sector is lidstaten veel waard. Dat daarbij alle mogelijke middelen worden ingezet en grenzen worden opgezocht, is gezien het krachtenspel begrijpelijk en te billijken.
Als grenzen overschreden worden, moet echter worden ingegrepen. Dat is hier nadrukkelijk gebeurd. Bewuste misleiding van de Commissie, zoals Nederland heeft gedaan, kan op geen enkel manier worden gerechtvaardigd. In die zin is het volkomen terecht dat de Commissie drie jaar geleden besloot tot een verbod op pulsvissen.
Helaas is de opstelling van het ministerie van Landbouw in deze geen incident. Al decennialang wordt er geklaagd over de te nauwe banden van het departement en de sector. Terugdringing van de veestapel, vermindering van stikstofuitstoot, evenredig bijdragen aan het oplossen van het klimaatprobleem, aanpak van mestfraude: al deze inspanningen worden gefrustreerd door ambtelijke onwil en soms zelfs obstructie. De blinde steun van het departement voor de Nederlandse pulsvloot is daarvan een schrijnend voorbeeld.
Het ministerie toont zich in een reactie op de onthulling van de NOS maar deels schuldbewust. Het is „niet goed dat interne signalen, die er dus waren, onvoldoende zijn opgepakt”, aldus het ministerie, om vervolgens direct de draai te maken naar een gesprek met de Europese Commissie over verduurzaming van de visserijsector. Dat is na de leugens rondom de pulsvissers net even te makkelijk.
De wereld staat voor enorme uitdagingen op het gebied van klimaat en biodiversiteit. De Nederlandse overheid heeft daarin een belangrijke rol te spelen. In dat krachtenveld past geen ministerie dat liegt en bedriegt om slechts de economische belangen van een evident vervuilende sector te verdedigen. Daar moet het debat de komende tijd echt over gaan.
Lees ook dit artikel: Nederland hield informatie achter voor
Brussel voor meer pulsvisvergunningen
Basketball speelt een belangrijke rol in mijn leven. Toen ik 14 was zag ik voor het eerst een wedstrijd. Ik zag balkunstenaar Jerome Freeman voor Frisol/Rowic tegen (ik meen) Jugglers spelen; mijn leven was veranderd.
Het duurde nog wel even voor ik lid werd van Frisol/R, toen was 15. Het is niet zo dat Basketball voor mij 'alles' was (of is). Het is wel een belangrijk onderdeel; ik werd 'Basketballer', en dat zal ik blijven voor de rest van mijn leven. Daarbij maakt het niet eens veel uit dat ik zelf niet meer kan spelen; ik was Speler en nu doe ik andere dingen in het Basketball.
Hoe het Nederlandse Basketball reilt en zeilt, telt dus voor mij; het houdt mij bezig en ik zou graag beter zien gaan. Dus wil ik daar mijn steentje aan bijdragen.
Het kan zijn door Kinnesinne, Frustratie, Sensatielust, Domme Onwetendheid, Profileringsdrang, Persoonlijke Aversie, enzovoort; er wordt in en rond het Nederlandse Basketball nogal eens met modder gegooid. Daar baal ik weleens van.
Basketball is een schitterende sport; met voetbal de grootste teamsport ter wereld, spectaculair en een mooie metafoor voor het 'gewone leven'; alles zit erin.
Alleen weten in Nederland slechts relatief weinig mensen dat, en dat is jammer, want de sport Basketball verdient een groter en belangrijker podium in de Nederlandse samenleving.
O.a. daarom schrijf/deel ik, op deze Blog of in mijn column op www.iBasketball.nl .